De vernietiging van de tempel en de datering van het NT

Het jaar 70 n.Chr. moet voor de orthodoxe jood één van de ergste rampjaren uit de geschiedenis zijn. Het is het jaar waarin de tempel in Jeruzalem door de Romeinen verwoest werd. Ook voor de eerste christenen, waaronder veel Joden waren, moet de gebeurtenis grote impact gehad hebben. Het is een gebeurtenis waar je haast niet omheen kon als Joodse geschiedschrijver. De Joodse historicus Flavius Josephus schrijft uitvoerig over de Joodse opstand tegen de Romeinen, die uiteindelijk uitmondde in de inname van Jeruzalem en de vernietiging van de tempel. In de vroegchristelijke Brief van Barnabas wordt ook over de verwoesting gesproken (hoofdstuk 16), alsook in de joods-christelijk-hellenistische Sibillijnse Orakels.

De verovering van Jeruzalem was zo’n grote gebeurtenis, dat je zou verwachten dat ook de Nieuwtestamentische boeken deze gebeurtenis zouden vermelden, indien deze al plaats zou hebben gevonden. Dit is in potentie dus een mooie manier om de Nieuwtestamentische boeken te dateren.

Dus hoe zit het? Kunnen we uit de Nieuwtestamentische boeken afleiden dat de verwoesting van de tempel reeds had plaatsgevonden? Die vraag wordt op twee manieren beantwoord.

Critici: JA, want het het NT vermeldt de verwoesting van de tempel

De meeste niet-conservatieve Bijbelwetenschappers zullen wijzen op het feit dat de Heere Jezus een profetie heeft uitgesproken over de verwoesting van de tempel. Deze profetie komt voor in Mattheüs en Markus en in uitgebreidere versie ook in Lukas. Allereerst zal de versie in Markus en Mattheüs besproken worden. Markus schrijft het volgende (belangrijke variaties tussen Markus en Mattheüs staan tussen haken, waarbij de versie van Markus paars is en die van Mattheüs groen):

Markus 13:1-8, 14-26 (cf. Mattheüs 24:1-8, 15-30)
1 En toen Hij uit de tempel ging, zei een van Zijn discipelen tegen Hem: Meester, kijk, wat een stenen en wat een gebouwen!
2 En Jezus antwoordde hem: Ziet u deze grote gebouwen? Ziet u dit alles? [Voorwaar, Ik zeg u:] Er zal niet één steen op de andere steen gelaten worden die niet afgebroken zal worden.
3 En toen Hij op de Olijfberg zat, tegenover de tempel, vroegen Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas Hem toen zij alleen waren:
4 Zeg ons, wanneer zullen deze dingen gebeuren? En wat is het teken [wanneer al deze dingen in vervulling zullen gaan? / van Uw komst en van de voleinding van de wereld?]
5 En Jezus antwoordde hun en begon te zeggen: Pas op dat niemand u misleidt.
6 Want velen zullen komen onder Mijn Naam en zeggen: Ik ben de Christus; en zij zullen velen misleiden.
7 En wanneer u hoort van oorlogen en geruchten van oorlogen, word dan niet verschrikt, want dit moet gebeuren, maar het is nog niet het einde.
8 Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen aardbevingen zijn in verscheidene plaatsen en er zullen hongersnoden zijn en [onlusten / besmettelijke ziekten en aardbevingen in verscheidene plaatsen]. Deze dingen zijn het begin van de weeën.
[…]
14 Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarover door de profeet Daniël gesproken is, zult zien staan [waar het niet behoort / op de heilige plaats] – laat hij die het leest, daarop letten! – laten dan zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen.
15 En wie op het dak is, moet niet naar beneden gaan in het huis om iets uit zijn huis te halen,
16 en wie op de akker is, moet niet terugkeren naar wat hij achterliet, om zijn bovenkleed te halen.
17 Maar wee de zwangere en de zogende vrouwen in die dagen!
18 En bid dat uw vlucht niet zal plaatsvinden in de winter [en ook niet op een sabbat].
19 Want die dagen zullen dagen van zo’n verdrukking zijn als er niet geweest is vanaf het begin van de schepping, die God geschapen heeft, tot nu toe, en er ook nooit meer zijn zal.
20 En als de Heere die dagen niet ingekort had, zou er geen vlees behouden worden; maar ter wille van de uitverkorenen, die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij die dagen ingekort.
21 En als dan iemand tegen u zal zeggen: Zie, hier is de Christus; of zie, Hij is daar; geloof het niet.
22 Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen tekenen en wonderen doen om – als het mogelijk zou zijn – ook de uitverkorenen te misleiden.
23 Maar past u op; zie, Ik heb u alles van tevoren gezegd!
[Als men dan tegen u zal zeggen: Zie, Hij is in de woestijn; ga er niet opuit; zie, Hij is in de binnenkamers, geloof het niet, want zoals de bliksem vanuit het oosten komt en zichtbaar is tot in het westen, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn. Want waar het dode lichaam is, daar zullen de gieren zich verzamelen.]
24 Maar in die dagen, [meteen] na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden en de maan zal zijn schijnsel niet geven.
25 En de sterren van de hemel zullen daaruit vallen en de krachten in de hemelen zullen heftig bewogen worden.
26 En dan zullen ze de Zoon des mensen zien komen in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid.

Volgens de meeste Bijbelwetenschappers is het evangelie van Markus als eerste geschreven en hebben Mattheüs en Lukas gebruik gemaakt van Markus. Het voert te ver om deze hypothese hier uitgebreid te bespreken, maar ik zal er in dit artikel van uitgaan dat dit juist is.

Jezus spreekt hier een profetie uit over wat er gaat gebeuren met Jeruzalem. Hij voorspelt dat geen steen van de tempel op de andere zal blijven staan en spreekt over ‘gruwel van de verwoesting’ die in de tempel staat. Veel kritische Bijbelwetenschappers menen dat deze profetie verzonnen is na de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.Chr. Daaruit volgt dat zowel Markus als Mattheüs (en ook Lukas, zoals we zullen zien) geschreven zijn na 70 n.Chr. Een andere optie is echter dat we hier te maken hebben met een authentieke profetie: een profetie die uitgesproken is voordat de voorspelde gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Ik zal vier redenen geven waarom ik denk dat we te maken hebben met een authentieke profetie en niet met een achteraf verzonnen profetie.

1. Jezus’ identiteit

Je zult uit moeten sluiten dat Jezus was Wie Hij zei dat Hij was om een authentieke profetie uit te sluiten. Jezus vertelde van Zichzelf dat Hij de Zoon van God was. Hij zei dat niet alleen maar, maar ondersteunde dat ook door wonderen te doen. Het grootste wonder was Zijn opstanding uit de dood, een gebeurtenis waar je op basis van goede argumenten van uit kunt gaan dat die ook echt is gebeurd.1 Als Jezus daadwerkelijk de Zoon van God was, dan is het alleen maar aannemelijk dat Hij authentieke profetieën kon uitspreken.

2. De stijl van het gedeelte wijst op authenticiteit

Als je Markus 13 leest, dan zal het je opvallen dat het hoofdstuk twee vreemde wendingen bevat. Het begin van het hoofdstuk speelt zich af rond de tempel van Jeruzalem. In vers 3 bevinden Jezus en Zijn discipelen zich plotseling op de Olijfberg, waar de discipelen aan Jezus vragen wanneer ‘deze dingen’ (de verwoesting van de tempel?) zullen gebeuren. In plaats van antwoord te geven, zegt Jezus dat ze op moeten passen dat niemand hen misleidt. De woorden van Jezus die daarop volgen, bestaan uit afzonderlijke gedeeltes die redelijk onafhankelijk van elkaar zijn en niet vloeiend in elkaar overlopen. Zoals hierboven te zien is, heeft Mattheüs ook nog een eigen gedeelte toegevoegd. Het is daarom waarschijnlijk dat we hier te maken hebben met meerdere toespraken van Jezus die samen zijn gevoegd.2 Als dit een verzonnen profetie is, dan is de vreemde stijl van het gedeelte onverklaarbaar.

3. De bewoording van de profetie is niet beïnvloed door de gebeurtenissen

Jezus raadt Zijn volgelingen in Judea aan om te vluchten naar de bergen, wanneer ze de ‘gruwel van de verwoesting’ op de heilige plaats zien staan. Dat laatste zou kunnen slaan op de Romeinen die het tempelterrein betraden. Voor de christenen in Judea was het echter onmogelijk om op dat moment naar de bergen te vluchten, omdat het Judese heuvelland door de Romeinen bezet was. Bovendien weten we van de kerkhistoricus Eusebius dat de christenen al zeer vroeg tijdens de Joodse Opstand, rond 66 n.Chr., naar de stad Pella in het Overjordaanse vluchtten:

De Jeruzalemse gemeente verliet op een gegeven ogenblik de stad; men deed dat op aanraden van enige mensen, die algemeen als godsvruchtig bekend waren en een goddelijke openbaring hadden ontvangen; zo kon de hele gemeente tijdig voor het uitbreken van de oorlog vertrekken; men vestigde zich in Pella, een stad in Perea.3

Pella ligt beneden de zeespiegel, dus een vlucht naar het gebergte van Judea is dit absoluut niet te noemen. Indien de profetie verzonnen is nadat de gebeurtenissen zich al voltrokken hadden, zou de waarschuwing van Jezus nooit zo geformuleerd zijn.

In het Bijbelgedeelte is ook te zien dat Mattheüs aan het eind het woord ‘meteen’ toevoegt als het gaat over de wederkomst. Voor ‘meteen’ gebruikt Mattheüs het Griekse woord εὐθέως. Dat is interessant, want εὐθέως is helemaal geen gebruikelijk woord voor Mattheüs, eerder voor Markus. Sterker nog, dit is de enige keer dat Mattheüs het woord εὐθέως gebruikt waar Markus het niet gebruikt! De lezer krijgt hierdoor de indruk dat de wederkomst direct volgt op de verwoesting van Jeruzalem; iets wat nooit verzonnen zou zijn in een periode van jaren na de verwoesting.

4. De profetie is vaag verwoord

Het is maar dat wij weten wat er daadwerkelijk gebeurd is in 70 n.Chr., want anders hadden wij nauwelijks uit kunnen maken wat Jezus precies bedoelt. De profetie bestaat in feite uit twee zinnetjes, namelijk dat geen steen van de tempel op de ander zal staan en dat de ‘gruwel van de verwoesting’ op de heilige plaats zal staan. Een profetie die achteraf verzonnen is, zou een heel stuk specifieker kunnen zijn. Als je de zinsneden uit de profetie nauwkeurig bestudeert, zie je dat Jezus gebruikmaakt van verzen uit het apocriefe boek 1 Makkabeeën:

1 Makkabeeën 1:58: “En de vijftiende dag van de maand Chasleu in het honderdenvijfenveertigste jaar, bouwden zij een gruwel der verwoesting op het reukaltaar, en rondom in alle steden van Juda bouwden zij altaren.
1 Makkabeeën 2:7: “En hij en zijn zonen vloden naar de bergen, en lieten al wat zij hadden in de stad.

De profetie van Jezus is dus geformuleerd in algemene bewoordingen en de woordkeuze is niet beïnvloed door de gebeurtenissen van 70 n.Chr., maar door de gebeurtenissen uit de tijd van de Makkabeeën.

De versie van Lukas

Tot zover de profetie zoals deze beschreven staat in Mattheüs en Markus. De vergelijkbare profetie in Lukas bevat echter enkele opmerkelijke toevoegingen; bovendien profeteert Jezus in Lukas twee keer over de verwoesting van de tempel:

Lukas 19:41-44
41 En toen Hij dichtbij kwam en de stad zag, weende Hij over haar.
42 Hij zei: Och, dat u ook nog op deze uw dag zou onderkennen wat tot uw vrede dient! Nu echter is het verborgen voor uw ogen.
43 Want er zullen dagen over u komen dat uw vijanden een wal rondom u zullen opwerpen, u zullen omsingelen en u van alle kanten in het nauw zullen brengen.
44 En zij zullen u met de grond gelijkmaken en uw kinderen in u verpletteren. Ook zullen zij in u geen steen op de andere steen laten, omdat u het tijdstip waarop er naar u omgezien werd, niet hebt onderkend.

Lukas 21:5-6, 20-24
5 En toen sommigen over de tempel zeiden dat hij met prachtige stenen en aan God gewijde geschenken versierd was, zei Hij:
6 Wat betreft deze dingen waarnaar u kijkt: Er zullen dagen komen waarin niet één steen op de andere steen gelaten zal worden die niet afgebroken zal worden.
[…]
20 Wanneer u zult zien dat Jeruzalem door legers omringd wordt, weet dan dat zijn verwoesting nabij is.
21 Laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen en wie in het midden van Jeruzalem zijn, daaruit wegtrekken en wie op de velden zijn, er niet in gaan.
22 Want dit zijn dagen van wraak, opdat al wat geschreven staat, vervuld wordt.
23 Maar wee de zwangeren en de zogenden in die dagen, want er zal grote nood zijn in het land en toorn over dit volk.
24 En zij zullen vallen door de scherpte van het zwaard en in gevangenschap weggevoerd worden onder alle heidenen. En Jeruzalem zal door de heidenen vertrapt worden, totdat de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn.

Sceptici die stellen dat deze profetieën na 70 n.Chr. zijn verzonnen, staan hier een stuk sterker. Immers, zelfs als het mogelijk is dat Jezus een profetie kon uitspreken, dan kun je daarmee nog niet verklaren dat Lukas die profetie in Lukas 21 heeft gespecificeerd ten opzichte van Markus. En welke andere reden om een profetie te specificeren is er behalve dat de profetie in Lukas’ tijd al in vervulling was gegaan? Het lijkt dus lastig om onder de conclusie uit te komen dat Lukas na 70 n.Chr. schreef. Maar als je de tekst zorgvuldig bestudeert, blijkt die conclusie helemaal niet onontkoombaar te zijn.

1. De specificaties in Lukas worden al geïmpliceerd in Markus

Om Lukas heel kort samen te vatten, voorspelt Jezus dat Jeruzalem belegerd en verwoest zal worden, waarna de inwoners weggevoerd zullen worden. Nu wordt dat eerste al geïmpliceerd door Markus, als hij schrijft dat Jezus voorspelt dat geen steen van de tempel op de andere zal blijven staan. Als de tempel wordt verwoest, kan dat niet anders dan een verovering van Jeruzalem betekenen. Het deporteren van de bevolking was een veelvoorkomende gewoonte in de Oudheid. De Assyriërs en Babyloniërs hadden dat al meerdere keren in Israël gedaan en ook de Romeinen maakten gebruik van deze methode.4,5 De aanpassingen die Lukas heeft gemaakt t.o.v. Markus, vereisen dus geen kennis van de gebeurtenissen.

Bovendien worden er geen specifieke kenmerken van de verovering van Jeruzalem in 70 n.Chr. in de toevoegingen aangetroffen. De opvallende verdeeldheid van de verdedigers, de vergaande hongersnood en pest die zelfs leidden tot kannibalisme en de grote brand die een groot deel van de stad vernietigde worden niet genoemd. Kortom, de profetie is nog altijd in algemene bewoordingen van een verovering en niet beïnvloed door de gebeurtenissen van 70 n.Chr.

2. De passage in Lukas is geen aangepaste versie van die in Markus

De theorie dat Lukas na 70 n.Chr. de originele versie van de profetie (te vinden in Markus) heeft aangepast om beter bij de gebeurtenissen aan te sluiten, rust op het idee dat de betreffende passages ook echt zijn gebaseerd op Markus 13. Drie geleerden hebben echter betoogd dat dit niet het geval is. De theoloog en Grieksgeleerde John Wenham kwam na nauwkeurige vergelijking van de Griekse tekst tot de conclusie dat Lukas 21 en Markus 13 wel een gemeenschappelijke oorsprong hebben, maar niet literair van elkaar afhankelijk zijn.6 De theoloog David Wenham gelooft dat de oorspronkelijke toespraak van Jezus de gemeenschappelijke bron is die verschillend overgeleverd is in Mattheüs, Markus en Lukas. De evangeliën putten alle drie uit die bron en zijn onafhankelijk van elkaar.7

Het interessantst is een zeventig jaar oud artikel van de theoloog Charles Dodd.8 Hij wijst erop dat Lukas 21:20-24 maar twee zinsneden bevat die ook in Markus voorkomen: “Laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen” en “Maar wee de zwangeren en de zogenden in die dagen.” Wanneer je deze zinsneden weglaat, krijg je een gedeelte met een goed ritme en parallellisme zoals gebruikelijk in Hebreeuwse poëzie. Bestudering van het Grieks laat ook duidelijk zien dat de twee zinsneden uit Markus niet in de oorspronkelijke tekst thuishoorden:

Lukas 21: 20-21
Οταν δὲ ἴδητε κυκλουμένην ὑπὸ στρατοπέδων Ἰερουσαλήμ, τότε γνῶτε ὅτι ἤγγικεν ἡ ἐρήμωσις αὐτῆς. τότε οἱ ἐν τῇ Ἰουδαίᾳ φευγέτωσαν εἰς τὰ ὄρη, καὶ οἱ ἐν μέσῳ αὐτῆς ἐκχωρείτωσαν, καὶ οἱ ἐν ταῖς χώραις μὴ εἰσερχέσθωσαν εἰς αὐτήν

Het onderstreepte gedeelte is woordelijk gelijk aan Markus 13:14b. Nu staat er in dat gedeelte het vrouwelijke woord Ἰουδαίᾳ (Judea). In de huidige vorm zouden het vetgedrukte αὐτῆς en αὐτήν (ook allebei vrouwelijke woorden) daarom terugslaan op Judea. Uit de tekst blijkt echter dat deze twee woorden terugslaan op Ἰερουσαλήμ (Jeruzalem). De Herziene Statenvertaling heeft daarom ook ‘Jeruzalem’ toegevoegd in de vertaling. Hieruit blijkt duidelijk dat de zinsnede uit Markus oorspronkelijk niet thuishoorde in de tekst van Lukas. Daarmee zijn de rollen omgedraaid: Lukas heeft geen specificaties aan het gedeelte van Markus toegevoegd, maar enkele zinsneden uit Markus aan een eigen, onafhankelijke passage toegevoegd.

3. Het taalgebruik van de beide passages in Lukas pleit voor authenticiteit

Dodd noemde het taalgebruik van de beide passages in Lukas 19 en 21 Semitisch, vergeleken met het mooie Hellenistische Griekse dat Lukas normaal gesproken hanteert.9 Ook het woordgebruik van Lukas is opvallend. In de beide passages gebruikt hij maar liefst negen woorden die hij nauwelijks tot nooit gebruikt.10 Deze twee feiten maken het waarschijnlijk dat Lukas deze passages niet zelf verzonnen heeft, maar uit een oudere bron geput heeft. Ook dit pleit weer voor een authentieke profetie.

4. De evangelisten claimen niet dat de profetie vervuld is

Als de evangeliën na 70 n.Chr. zijn geschreven en de evangelisten de verwoesting van de tempel beschouwden als vervulling van deze profetie, zouden de evangelisten niet verzwegen hebben dat Jezus’ woorden inderdaad waren vervuld. Dit zien we bijvoorbeeld duidelijk bij Lukas (Handelingen 11:28), maar ook de andere evangelisten grijpen vooruit op de gebeurtenissen (bijv. Mattheüs 10:4).

Dit alles tezamen heeft het argument dat de profetieën over de verwoesting van de tempel achteraf moeten zijn verzonnen sterk verzwakt. Het is aannemelijker dat we te maken hebben met authentieke profetieën dan te geloven dat deze profetieën bedacht zijn na de val van Jeruzalem. Dat betekent ook dat de profetieën niet meer gebruikt kunnen worden om de drie evangeliën na het jaar 70 n.Chr. te dateren, waarmee het belangrijkste argument voor die late datering wegvalt.

NEE, want de schrijvers van het NT wisten niets over 70 n.Chr.

Nergens in het Nieuwe Testament wordt over de verwoesting van Jeruzalem gesproken als een gebeurtenis die reeds geweest is. Dat is opvallend, want Jeruzalem is in het Nieuwe Testament niet onbesproken. Het woord ‘Jeruzalem’ komt in tien nieuwtestamentische boeken voor, alsook het woord ‘tempel’. In de evangeliën en Handelingen spelen veel gebeurtenissen zich af in Jeruzalem en de tempel, maar enige aanwijzing dat al die gebeurtenissen zich afspelen op plaatsen die op het moment van schrijven intussen verwoest zijn, is er niet. Het boek Hebreeën behandelt uitgebreid alle tempelrituelen, maar ook hier is geen spoor te ontdekken van dat de schrijver wist dat dit allemaal verleden tijd was. Het boek Openbaring is een ideaal boek voor een verwijzing naar 70 n.Chr., maar ook daar is een zoektocht naar die verwijzing vruchteloos. Of neem de de Tweede Brief aan de Thessalonicenzen:

2 Thessalonicenzen 2:3-4
3 Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden. Want die dag komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, geopenbaard is,
4 de tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet.

Het is onwaarschijnlijk dat Paulus dit allemaal allegorisch bedoelde, aangezien hij het over historische gebeurtenissen heeft. Ook hier is geen aanwijzing te vinden dat de schrijver bekend was met de verwoesting van de tempel.

In een vorig artikel schreef ik:

Als een zeer belangrijke gebeurtenis niet vermeld wordt, kan dat betekenen dat de tekst is geschreven vóórdat die gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Dit gaat natuurlijk alleen op wanneer we redelijkerwijs zouden mogen verwachten dat de gebeurtenis in kwestie zou worden vermeld, bijvoorbeeld omdat het past in de thematiek van het boek.
(…)
Toch moeten we voorzichtig zijn met deze wijze van dateren. Sommige auteurs wilden een bepaalde boodschap aan hun boek meegeven, zodat ze bepaalde gebeurtenissen bewust niet noemden.

De vraag is dus: is het niet vermelden van de verwoesting van de tempel een aanwijzing dat je kunt gebruiken om Bijbelboeken te dateren? Ik denk het wel. De verwoesting van de tempel en Jeruzalem was voor de Joden de meest indrukwekkende gebeurtenis uit de eerste eeuw. Het verstoorde hun godsdienstige leven, nationale identiteit en hun economie. Het was een belangrijk punt van verwijdering tussen joden en christenen. De verwoesting van de tempel is dus bij uitstek een gebeurtenis waarvan je zou verwachten dat die door de nieuwtestamentische schrijvers zou worden vermeld indien ze reeds plaatsgevonden had. Deze vermelding ontbreekt echter, dus is het aannemelijk dat het grootste deel van het Nieuwe Testament vóór het jaar 70 n.Chr. is geschreven.

Voetnoten en referenties

1. Bijv. N.T. Wright, The resurrection of the Son of God, Fortress Press, Mineapolis, 2003. Terug naar tekst.
2. John Robinson, Redating the New Testament, SCM Press LTD, Londen, 1976, p. 15. Terug naar tekst.
3. Eusebius, Kerkgeschiedenis, Boekencentrum, Zoetermeer, 2000, 3.5.3 (p. 119). Terug naar tekst.
4. Francisco Polo, “Deportation of indigenous population as a strategy for Roman dominion in Hispania.” Limes XX XX Congreso Internacional de Estudios sobre la Frontera Romana = XXth International Congress of Roman Frontier Studies: León (España), septiembre 2006: Congreso Internacional de Estudios sobre la Frontera Romana 20º 2006 León. 2009. Terug naar tekst.
5. Jan Willem Drijvers, “Rome and the Sasanid Empire: Confrontation and coexistence.” A Companion to Late Antiquity. Wiley-Blackwell Oxford, 2009, p. 450. Terug naar tekst.
6. John Wenham, Redating Matthew, Mark and Luke: a fresh assault on the synoptic problem, Hodder & Stoughton, 1991, Chapter Two. Terug naar tekst.
7. Craig Blomberg, Jesus and the Gospels, B&H Publishing Group, 2009, p. 171. Gebaseerd op: David Wenham, ed. Gospel Perspectives, Volume 4: The Rediscovery of Jesus’ Eschatological Discourse, Vol. 4, Wipf and Stock Publishers, 2003. Terug naar tekst.
8. Charles Dodd, “The fall of Jerusalem and the Abomination of Desolation”, Journal of Roman Studies 37.1-2 (1947): 47-54. Terug naar tekst.
9. Zie voetnoot 8. Terug naar tekst.
10. Het betreft deze woorden in Lukas 19:
χάραξ (wal)
περικυκλόω (omsingelen)
πάντοθεν (van alle kanten)
ἐδαφίζω (verpletteren)
ἐπισκοπή (het tijdstip waarop er omgezien werd)
En de volgende woorden in Lukas 21:
κυκλόω (omringd)
στρατόπεδον (legers)
αἰχμαλωτίζω (in gevangenschap weggevoerd worden)
πατέω (vertrapt) Terug naar tekst.

Share