Hoe feitelijk is De Da Vinci Code?

In 2003 verscheen het boek The Da Vinci Code van Dan Brown, en korte tijd later een Nederlandse vertaling. Het boek was een daverend succes: wereldwijd werden er meer dan 80 miljoen exemplaren verkocht. Ook in Nederland gingen er ruim 400.000 over de toonbank. In 2006 kwam er een verfilming uit, met hoofdrollen voor Tom Hanks, Audrey Tautou en Ian McKellen.

Jammer genoeg werden er in het boek theorieën geponeerd die duidelijk in conflict zijn met christelijke opvattingen over wie Jezus was en wat Hij deed, en hoe de Bijbel tot stand was gekomen. Dit heeft veel christenen in verwarring gebracht en zelfs tot geloofsafval geleid. En dat terwijl de theorieën die het boek presenteert amper tot geen historische onderbouwing genieten.

Hoewel de ‘Da Vinci-hype’ alweer een poosje achter de rug is, leek het ons goed om deze kritische recensie (oorspronkelijk in 2005 gepubliceerd op een andere website) hier te herpubliceren, omdat soortgelijke theorieën tegenwoordig nog altijd de kop opsteken.

Dan Brown heeft beweerd:

Alle beschrijvingen van kunstwerken, architectuur, documenten en geheime rituelen in dit boek zijn waarheidsgetrouw.

Alle geschiedenisin het verhaal is accuraat.

In deze recensie zullen we zien wat er van deze beweringen klopt.

Inhoudsopgave Index per onderwerp

1. Waarom een roman bekritiseren?

2. Dan Browns theorie…

3. Analyse van de theorie in De Da Vinci Code

4. Overige vergissingen

5. Conclusie

6. Referenties

Codex Leicester
Dode Zeerollen
Les Dossiers Secrets
Heksenjachten
Heresie
Huwelijk tussen Jezus en Maria Magdalena
Jezus’ goddelijkheid
JHWH
Laatste Avondmaal
Lastercampagne tegen Maria
Leonardo Da Vinci
Leonardo Da Vinci over de Bijbel
Madonna in de grot
Mona Lisa
Nieuwtestamentische boeken, de selectie
Nulmeridiaan
Overnemen van symbolen en rituelen
Priorij van Sion
Piramide bij het Louvre
Tempeliers
Vrouwenverdrukking en de zondeval

Oorspronkelijke titel: The Da Vinci Code
Dan Brown, 2003
Doubleday, Random House, New York

Alle citaten van het boek zijn in blauw en springen smal in. De citaten komen uit:

Dan Brown, De Da Vinci Code
Luxe geïllustreerde editie, tweede druk december 2004
Uitgeverij Luitingh ~ Sijthof B.V., Amsterdam
Vertaling: Josephine Ruitenberg

Alle citaten uit andere bronnen zijn in paars.

Als literair werk is De Da Vinci Code mij goed bevallen. Van de proloog tot de epiloog is het erg pakkend en de vlotte schrijfstijl maakt het tot een ware pageturner, zelfs voor een trage lezer als ik. (Dit is natuurlijk een kwestie van smaak; anderen zijn van mening dat het een zwak plot heeft en een zeer magere psychologische ontwikkeling van de karakters.)

Maar daar eindigt alles wat er in positieve zin over het boek gezegd kan worden. De Da Vinci Code (voortaan DVCode genoemd) promoot het idee dat Jezus en Maria Magdalena getrouwd zouden zijn, maar dat ‘de Kerk’ dit in de doofpot heeft gestopt. Om deze theorie voor de lezer aannemelijk te maken, voelde de auteur zich kennelijk genoodzaakt veel feiten compleet te verdraaien of zelfs te verzinnen. Want dat is het grote probleem met dit boek: het staat vol met fouten.

1. Waarom een roman bekritiseren?

Veel mensen zullen denken: ‘Wat maakt het uit dat er wat foutjes in staan? Het is toch maar een fictief verhaal? Waarom is het zo nodig 26 pagina’s vol te schrijven over de kleine, onbenullige foutjes die het boek bevat? Voelt die christenfundamentalist zich aangevallen door een roman? Kinderachtig hoor.’

Goed punt. Waarom zouden we ons inderdaad druk maken om een 100% fictief verhaal? Aan de andere kant ben ik reacties van lezers tegengekomen waaruit blijkt dat men de inhoud van DVCode toch serieuzer opvat dan slechts fictie. De meeste lezers geven aan niet te weten wat nou waar is en wat niet. In reacties vertellen sommige lezers dat het boek hen nieuwe dingen heeft geleerd over de beginjaren van het christendom, of dat het zelfs een eye-opener is geweest. Een meisje vertelde me speciaal naar de bibliotheek te zijn gegaan om uit te zoeken of de Bijbel inderdaad is samengesteld op de manier zoals het in DVCode beschreven wordt. Bij sommigen brengt DVCode dus verwarring, terwijl anderen regelrecht op een dwaalspoor gebracht worden.

Wat veroorzaakt al deze verwarring onder lezers? Eén van de oorzaken is een statement voorin het boek, onder het kopje ‘FEITEN.’

De priorij van Sion, een geheim genootschap dat in 1099 is opgericht, is een werkelijk bestaande organisatie. In 1975 ontdekte de Parijse Bibliothèque Nationale perkamenten, Les dossiers secrets, waarin talrijke leden van de Priorij van Sion worden genoemd, onder wie sir Isaac Newton, Botticelli, Victor Hugo en Leonardo Da Vinci.
[…]
Alle beschrijvingen van kunstwerken, architectuur, documenten en geheime rituelen in dit boek zijn waarheidsgetrouw.

Wat betreft de eerste alinea, niets over de vroegere geschiedenis van de Priorij van Sion is zeker (als de moderne Priorij überhaupt al bestond voor de 20ste eeuw), dus dat hoort alvast niet thuis onder de categorie ‘FEITEN.’ Hierover later meer.

Waar het vooral om gaat is het laatste gedeelte: de bewering dat ‘alle beschrijvingen van kunstwerken, architectuur, documenten en geheime rituelen’ waarheidsgetrouw zouden zijn. Dit is simpelweg een leugen waarvoor de auteur zich niet kan verantwoorden door erop te wijzen dat DVCode een roman is. In feite staan er wel degelijk dergelijke foute beschrijvingen in DVCode, maar daar wordt de lezer niet van op de hoogte gebracht. In deze recensie worden deze fouten aan het licht gebracht.

Een andere oorzaak van het misleidende karakter is dat het boek inderdaad ook veel feiten en wetenswaardigheidjes bevat en in die zin heel leerzaam is. Het probleem is dat het kaf en het koren dusdanig met elkaar vermengd zijn dat de gemiddelde lezer het onderscheid niet meer zal kunnen maken. Dit geldt waarschijnlijk ook voor de recensenten van de grote kranten die op de flaptekst van mijn editie van DVCode geciteerd worden. De recensent van de Volkskrant heeft het over de ‘enorme hoeveelheid historische kennis’ die het boek bevat en die van het Algemeen Dagblad prijst Brown’s ‘indrukwekkende historische kennis.’ (Ook Knevel op Zaterdag wordt plagerig geciteerd met de woorden: ‘Dit boek is schadelijk voor het christendom.’)

Tot slot is er nog de naïviteit van de moderne mens. Men gelooft alles. Kritiekloos. Men denkt dat alles wat in de krant of in boeken staat ‘heus wel’ waar is, anders zou het er niet staan. Bovendien is het zelfs voor romans niet ongebruikelijk binnen een waarheidsgetrouwe setting te werken en ware historische feiten als achtergrondsituatie te nemen. Dan Brown speelt hier handig op in. In plaats van te waarschuwen dat de geschiedenis die in DVCode beschreven wordt niet helemaal kloppend is, zegt hij in een interview: ‘All the history, artwork, ancient documents, and secret rituals in the novel are accurate…’ Hij draagt dus bewust bij aan het idee dat de geschiedenis, zoals beschreven in DVCode, accuraat is en buit de naïviteit van de lezers uit.

Ik zal nu een korte samenvatting geven van de ‘theorie’ die in DVCode naar voren komt. Daarna zal ik het boek chronologisch doorlopen en reageren op de ‘onderbouwing’ van deze theorie.

2. Dan Browns Theorie…

Oorspronkelijk vereerde men, naast de mannelijke god, ook de godin. Men had respect voor het ‘heilige vrouwelijke’: de man was zonder de vrouw niet spiritueel compleet. Totdat de opkomst van het patriarchale christendom daar op een bloederige manier een einde aan maakte…

Het tegenwoordige christendom vertegenwoordigt een compleet verkeerd beeld van wie Jezus eigenlijk was. In realiteit was Jezus een man van groot aanzien, die, als nazaat van koning David, een geweldige politieke invloed had. Maar Hij was niet de Zoon van God. Jezus was een gewone sterveling, niets bovennatuurlijks. Tevens leidde Hij geen celibatair leven, maar was Hij getrouwd met Maria Magdalena. Jezus en Maria zouden bovendien minstens één kind gekregen hebben. Na Jezus’ dood vluchtte Maria met het kind naar Frankrijk, waar de bloedlijn van Jezus voortgezet werd.

De oorspronkelijke christenen geloofden in een natuurlijke Jezus (geen Zoon van God). Maar in de vierde eeuw kwam keizer Constantijn aan de macht. Constantijn besloot het christendom te gebruiken voor zijn politieke doeleinden. Om het christendom te veranderen in een bruikbaarder politiek wapen organiseerde Constantijn in 325 n.Chr. een concilie in Nicea, waar onder andere werd gestemd over de goddelijkheid van Jezus en welke boeken er in het Nieuwe Testament opgenomen zouden worden. Met een kleine meerderheid werd besloten Jezus een goddelijke status toe te wijzen. 27 boeken werden gekozen voor het Nieuwe Testament, dat het stempel ‘goddelijk geïnspireerd’ kreeg. Van de meer dan 80 Evangeliën werden er slechts vier gekozen voor het NT; de overige, die het ware verhaal vertelden, werden verzameld en verbrand. Om zijn staatsgodsdienst acceptabeler te maken integreerde Constantijn allerlei heidense elementen, zoals aureolen (oorspronkelijk Egyptische zonneschijven), 25 december als de geboortedag van Christus (oorspronkelijk de geboortedag van Mithras), de zondagsdienst (de dag waarop heidenen de zon aanbaden), et cetera.

Maar ondertussen leefde de bloedlijn van Jezus nog steeds voort via het kind van Maria Magdalena. Een tak van de bloedlijn werd het koningshuis van de Merovingen, volgens DVCode de stichters van Parijs.

Eeuwen later, toen de kruisvaarder Godfried van Bouillon Jeruzalem veroverde, richtte hij de Priorij van Sion op, een geheime organisatie. De militaire tak van de Priorij, de orde van de Tempeliers, groef onder de oude ruïnes van de tempel van Salomo een mysterieuze schat op. Deze schat bestond uit een groot aantal documenten die een eeuwenoud geheim bevatten. De documenten bewezen dat Jezus en Maria getrouwd waren en nageslacht hadden gekregen. Dit gegeven zou vernietigend zijn voor het christelijke geloof, dus leverden de documenten de Tempeliers een machtspositie ten opzichte van het Vaticaan op.

De Priorij van Sion, waarvan de leden het heilige vrouwelijke vereerden (o.a. door middel van een seksrite genaamd hiëros gamos), nam de taak op zich Jezus’ bloedlijn en de geheime documenten te verdedigen tegen de Kerk, wachtende op het juiste moment om de documenten in de openbaarheid te brengen. Gedurende bijna duizend jaar is de Priorij hierin geslaagd. De Da Vinci Code begint echter met de moord op de vier hoogstgeplaatste leden van de Priorij…

Een belangrijk thema is ‘het vrouwelijke principe.’ De oorspronkelijke religies waren dualistisch: een god en een godin. Jezus was een groot feminist, maar het ontstemde zijn mannelijke discipelen dat Maria zo geliefd was bij Jezus. Eeuwenlang heeft de Kerk geprobeerd vrouwen naar de zijlijn te schuiven. Waar men eerst vond dat de man spiritueel compleet werd door de seksuele gemeenschap met de vrouw, werd op een gegeven moment de regel ingevoerd dat priesters en bisschoppen celibatair moesten leven. In de zesde eeuw ‘besloot’ paus Gregorius I dat Maria Magdalena een prostituee geweest was. Later werden vrouwen genadeloos vervolgd tijdens heksenjachten: vijf miljoen vrouwen werden door de Kerk op de brandstapel gezet.

Dit alles, het heilige vrouwelijke, Jezus’ huwelijk met Maria en de ware aard van de graal, ligt opgesloten in talloze verborgen symbolen in kunstwerken van onder andere Leonardo Da Vinci.

 

Tot zover de theorie van Dan Brown. Het grote probleem met deze theorie is uiteraard dat het aanspraak probeert te maken op niet-bestaand bewijsmateriaal. De geheime documenten die de Tempeliers gevonden zouden hebben, die op één of andere manier zouden moeten ‘bewijzen’ dat Jezus getrouwd was en nakomelingen had, komen in DVCode niet boven tafel.

We moeten het dus doen met de andere aanwijzingen die in DVCode naar voren komen. Die zullen we in de komende sectie behandelen.

Ik hoop antwoord te geven op de volgende vragen:

  • Was Jezus getrouwd met Maria Magdalena?
  • Zagen de ‘oorspronkelijke’ christenen Jezus als slechts een normale sterveling? En is Jezus’ goddelijke status ontstaan doordat een kleine meerderheid voor Jezus als Zoon van God koos en tegen Jezus als gewoon mens?
  • Is het ‘oorspronkelijke’ verhaal over Jezus inderdaad verloren gegaan doordat Constantijn slechts vier van de 80 evangeliën koos, en wel vier evangeliën die in tegenspraak waren met wat de ‘oorspronkelijke’ christenen geloofden?
  • Wijzen verborgen symbolen in de kunstwerken van Leonardo da Vinci op een huwelijk tussen Jezus en Magdalena?
  • Bestaat er een Priorij van Sion en bewaakt deze organisatie al 900 jaar lang een geheim over Jezus, Maria Magdalena en de heilige graal?

Zoals we zullen zien, zullen al deze vragen met ‘nee’ beantwoord moeten worden.

3. Analyse van de theorie in De Da Vinci Code

Er is gebruik gemaakt van de hoofdstukkenindeling, in plaats van de paginanummers, want verschillende edities en vertalingen van DVCode verschillen in aantallen pagina’s. Ik zal hier alleen ingaan op onderwerpen die op één of andere manier verband houden met de theorie van hierboven. Natuurlijk maakt Brown nog vele andere fouten, dus in Sectie 4 vind je een lijstje met overige vergissingen.

Hoofdstuk 28

Het is voor Browns antichristelijke boodschap natuurlijk essentieel om het christendom in een zo kwaad mogelijk daglicht te zetten. Toegegeven, christenen begaan, net als iedereen, vele fouten. Maar de daden van gelovigen zijn alleen representatief voor het geloof als de gelovigen handelen naar de juiste interpretatie van het geloof. En aangezien geen enkele christen precies leeft naar Christus’ wet, is geen enkele christen 100% representatief voor het christelijke geloof. De kwaliteit van het geloof ligt niet in de gelovige, maar in degene in wie geloofd wordt.

Hoe dan ook, in Hoofdstuk 28 begint Brown zijn lastercampagne tegen ‘de Kerk’ (wat in mijn visie een menselijk / politiek instituut is dat het geloof dikwijls heeft misbruikt voor zijn eigen politieke doeleinden) die vrouwen gedemoniseerd zou hebben. Onder andere door middel van de heksenjachten.

Onder degenen die door de Kerk als ‘heksen’ werden beschouwd, waren alle vrouwelijke geleerden, priesteressen, zigeunerinnen, mystici, natuurminnaars, kruidenverzamelaars, en elke vrouw die ‘verdacht dicht bij de natuur staat’. Ook vroedvrouwen werden gedood, vanwege hun ketterse gewoonte medische kennis te gebruiken om de pijn van het baren te verlichten, een lijden dat volgens de Kerk Gods terechte straf was voor Eva, omdat ze van de appel der kennis had gegeten, waarmee het idee van de erfzonde geboren was.

(1) In feite werden vroedvrouwen niet specifiek vervolgd en (2) de zondeval was niet het gevolg van dat Eva van de vrucht der kennis gegeten had, maar Adam. (En er staat nergens in de Bijbel dat de vrucht een appel was.)

In de driehonderd jaar dat er heksenjachten werden gehouden, bracht de Kerk het verbluffende aantal van vijf miljoen vrouwen op de brandstapel.

Dat is inderdaad verbluffend, maar volledig fictief. (1) Volgens meer realistische schattingen werden er in 400 jaar 50.000 tot 200.000 ‘heksen’ geëxecuteerd.1 (2) Dit waren niet allemaal vrouwen, (3) velen werden door seculiere overheden veroordeeld (niet door de Kerk) en (4) de meeste werden opgehangen, niet verbrand.

We beginnen toch een beetje te twijfelen aan Dan Brown’s bewering dat ‘alle geschiedenis accuraat is’ in De Da Vinci Code.

Verder wordt er in dit hoofdstuk gedaan alsof het christendom tegen ‘de natuurlijke seksuele eenwording van man en vrouw’ zou zijn. Maar die eenwording is volledig bijbels. De Schepper heeft dit in ons bouwplan vastgelegd en gezegd: ‘Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot één vlees zijn.’ (Genesis 2:24)

Hoofdstuk 37

In dit hoofdstuk vertelt hoofdpersoon Langdon dat de Orde der Tempeliers door de Priorij van Sion is opgericht (daar is al geen historische basis voor) om een schat op te graven onder de ruïnes van de Tempel van Salomo. Die schat zouden ze inderdaad gevonden hebben, waardoor ze van de ene op de andere dag zeer rijk en machtig werden (ze verkregen deze macht dankzij paus Innocentius II en het is pure speculatie dat het iets met een schat onder de Tempel te maken had).

Niemand wist zeker of de tempeliers het Vaticaan afpersten of dat de Kerk eenvoudigweg probeerde de tempeliers af te kopen en zo het zwijgen op te leggen, maar paus Innocentius II vaardigde onmiddellijk een unieke pauselijke bul uit, waarmee hij de tempeliers onbegrensde macht verleende en hun toestemming gaf hun eigen wetten op te stellen.

Hier gaat Brown er al van uit dat de hypothetische schat die de tempeliers gevonden zouden hebben, op één of andere manier nadelig zou zijn voor de Kerk. Eigenlijk slaat zijn redenering helemaal nergens op: ‘Omdat de tempeliers plotseling macht kregen, moeten ze óf de Kerk afgeperst hebben, óf omgekocht zijn door de paus.’

Mij lijkt het juist hoogst onwaarschijnlijk dat de paus de tempeliers zo vriendelijk zou bejegenen als ze echt een bedreiging vormden. Het is bijzonder onlogisch om je vijanden machtig te maken. Als de tempeliers werkelijk een schat zouden hebben opgegraven in het heilige land, zou ik eerder denken dat deze schat ten voordele kwam van de paus. De pauselijke bul was dan onderdeel van een ruil, of een beloning.

Toen de veertiende eeuw aanbrak, hadden de tempeliers dankzij de steun van het Vaticaan zo veel macht verzameld dat paus Clemens V besloot dat er iets aan gedaan moest worden. Samen met de Franse koning Filips de Schone beraamde de paus een ingenieus plan om korte metten te maken met de tempeliers en de hand te leggen op hun schat, en zo het geheim te bemachtigen waarmee macht over het Vaticaan werd uitgeoefend. In een militaire manoeuvre waar de CIA zich niet voor zou hoeven te schamen, vaardigde paus Clemens geheime, verzegelde orders uit die door zijn soldaten in heel Europa tegelijk moesten worden geopend, op vrijdag 13 oktober 1307.

(1) De vernietiging van de tempeliers was het idee van koning Filips de Schone: paus Clemens moest naar zijn pijpen dansen. (2) Er waren heel andere motieven in het spel dan die niet-bestaande schat. Filips had Tempelier willen worden, maar werd geweigerd, wat een belediging was.2 Hij was wellicht ook afgunstig vanwege de macht van de tempeliers. Filips verkreeg dan ook achteraf hun landgoederen.3 En wat betreft de Kerk was de rol van de tempeliers toch al uitgespeeld, aangezien de kruisvaarders al weer verdreven waren uit het heilige land. (3) Clemens mocht willen dat hij in heel Europa soldaten gestationeerd had!

Hoe dan ook, er is geen enkele reden aan te nemen dat de aanval op de tempeliers iets te maken had met geheime documenten of een heilige graal.

Hoofdstuk 48

In dit hoofdstuk wordt ons verteld over de Priorij van Sion, een geheime organisatie van vereerders van het heilige vrouwelijke en bewakers van Jezus’ bloedlijn. Geheime documenten, Les Dossiers Secrets, zouden veel informatie verschaffen over de geschiedenis van de Priorij.

Iedereen die zich had verdiept in de geschiedenis van de Priorij en van de graal, had de Dossiers gelezen. Ze waren gecatalogiseerd onder nummer 4° lm1 249, waren door veel specialisten als authentiek aangemerkt en bevestigden wat historici al sinds lang hadden vermoed: onder de Grootmeesters van de Priorij waren Leonardo da Vinci, Botticelli, sir Isaac Newton, Victor Hugo en, korter geleden, de beroemde Parijse kunstenaar Jean Cocteau.

In Hoofdstuk 79 wordt de complete lijst van Grootmeesters van de Priorij geleverd:

Jean de Gisors 1188-1220
Marie de Saint-Clair 1220-1266
Guillaume de Gisors 1266-1307
Edouard de Bar 1307-1336
Jeanne de Bar 1336-1351
Jean de Saint-Clair 1351-1366
Blanche d’Evreux 1366-1398
Nicolas Flamel 1398-1418
Rene d’Anjou 1418-1480
Iolande de Bar 1480-1483
Sandro Filipepe (Botticelli) 1483-1510
Leonardo da Vinci 1510-1519
Connetable de Bourbon 1519-1527
Ferdinand de Gonzague 1527-1575
Louis de Nevers 1575-1595
Robert Fludd 1595-1637
J. Valentin Andrea 1637-1654
Robert Boyle 1654-1691
Isaac Newton 1691-1727
Charles Radclyffe 1727-1746
Charles de Lorraine 1746-1780
Maximilien de Lorraine 1780-1801
Charles Nodier 1801-1844
Victor Hugo 1844-1885
Claude Debussy 1885-1918
Jean Cocteau 1918-1963

Toemaar, dat is nogal een indrukwekkende lijst grote namen. We zouden wel eens willen weten hoe het nou precies zit met die ‘Dossiers Secrets.’ Hier nogmaals Brown over de ‘FEITEN’ in DVCode:

De priorij van Sion, een geheim genootschap dat in 1099 is opgericht, is een werkelijk bestaande organisatie. In 1975 ontdekte de Parijse Bibliothèque Nationale perkamenten,Les dossiers secrets, waarin talrijke leden van de Priorij van Sion worden genoemd, onder wie sir Isaac Newton, Botticelli, Victor Hugo en Leonardo Da Vinci.

Brown doet het overkomen alsof de Bibliothèque Nationale oude, geheime perkamenten ‘ontdekt’ heeft, die betrouwbare informatie bevatten. De Bibliothèque Nationale de France is in feite een grote databank waar iedereen die een werk wil publiceren, één of meerdere kopieën van dit werk moet deponeren (een database voor onderzoekers). Je kunt er natuurlijk ook van alles en nog wat deponeren, zonder dit ooit werkelijk uit te geven voor het grote publiek. Oftewel: iedere grappenmaker kan zijn ‘geheime documenten’ naar de Nationale Bibliotheek brengen en als de inhoud maar intrigerend genoeg is zal het vroeg of laat ‘ontdekt’ worden.

Les Dossiers Secrets is een verzamelnaam voor verschillende documenten die op verschillende momenten in de jaren ’60 werden gedeponeerd in de Bibliothèque Nationale. Alle namen van de auteurs zijn pseudoniemen of namen van mensen die al overleden bleken te zijn vóór de depositie in de Bibliothèque. Voordat mensen het verkeerde idee krijgen: de Dossiers zijn geen antieke perkamenten of iets dergelijks, maar in de jaren ’50 of ’60 geproduceerde documenten. Ze zijn dan ook waardeloos als historische bron, wegens hun recente datum en anonieme auteur. In tegenstelling tot wat Brown in Hoofdstuk 48 beweert, worden de Dossiers helemaal niet beschouwd als ‘authentiek.’

De Dossiers bevatte ondermeer de bovenstaande lijst van Grootmeesters van de Priorij van Sion en een genealogie van de Merovingen tot hun hedendaagse afstammeling: Pierre Plantard, ook wel Pierre Plantard de Saint-Clair genoemd. Samen met enkele anderen registreerde deze zelfde Pierre Plantard in 1956 een sociëteit genaamd ‘Prieurè de Sion’ en hij zou tussen 1981 en 1984 zelf grootmeester geweest zijn. Plantard overleed in 2000. Zie hier voor afbeeldingen van registratieformulieren van Plantards vriendenclubje. Dit bewijst niet dat de Priorij in 1956 opgericht is, want in dat jaar werd het voor organisaties verplicht zich te registreren. Toch wijst dit erop dat de Priorij geen geheime organisatie was, zoals DVCode beweert.

Naast de Dossiers zijn er nog enkele historische bronnen die wijzen op het bestaan van een ‘Ordre de Notre Dame de Sion’ te Jeruzalem, maar deze Orde zou in 1617 of 1619 opgegaan zijn in de Jezuïeten. Verder is er niets bekend over een Priorij van Sion vóór 1956 en er is onafhankelijk van Les Dossiers Secrets geen enkele bron die de ‘Ordre de Notre Dame de Sion’ in verband brengt met de Priorij van Plantard.

De totale bewijslast bestaat dus uit een serie documenten uit de jaren ’50 en ’60, met een lijst namen van grote kunstenaars en wetenschappers die Grootmeesters van de Priorij geweest moeten zijn en een genealogie waaruit blijkt dat Pierre Plantard afstammeling is van de Merovingen en daarmee eigenlijk aanspraak maakt op de Franse kroon.

Dit is het plaatje dat in DVCode van Priorij van Sion getekend wordt: een geheime organisatie van vereerders van het heilige vrouwelijke en bewakers van de bloedlijn van Jezus. De grootmeesters (zie bovenstaande lijst) waren allemaal grote genieën die hun stempel hebben gedrukt op de Europese geschiedenis.

En dan is het nu tijd voor de reality check! Er zijn zes goede redenen waarom dit plaatje totaal onrealistisch is:

(1) Les Dossiers Secrets vormen allesbehalve een historische bron. Ze zijn onder valse namen gedeponeerd bij de Bibliothèque Nationale met het duidelijke doel dat naïeve lezers de inhoud betrouwbaar zouden achten: niks ‘secrets’ dus.
(2) De lijst met grootmeesters slaat nergens op: het is puur en alleen een poging om te imponeren met grote namen. Er vallen inderdaad verbanden te leggen tussen de grootmeesters (d.w.z. de opeenvolgende grootmeesters kenden elkaar), maar dat is gemakkelijk te vervalsen.
(3) Verscheidene van de grootmeesters waren uitgesproken christenen en beslist geen aanbidders van de godin en bewakers van een geheim dat het christelijke geloof tegensprak! Dit geldt bijvoorbeeld voor de genieën Robert Boyle en Isaac Newton, de grondleggers van de moderne scheikunde en astronomie.
(4) De stamboom van de Merovingische koningen naar Pierre Plantard staat volledig op zichzelf (de tak naar Plantard ontbreekt bij andere bronnen) en is waarschijnlijk een verzinsel waarmee Plantard de Franse kroon op heeft willen eisen.
(5) Pierre Plantard de Saint-Clair is volledig ongeloofwaardig als Grootmeester van de Priorij. Hij past niet in het rijtje van grote namen en al helemaal niet in het romantische plaatje dat de DVCode van de grootmeesters schildert: zeer verantwoordelijke mannen die een geheim van onschatbare waarde eeuwenlang beschermden tegen de Kerk. Plantard daarentegen heeft in de bak gezeten voor fraude. ‘De Saint-Clair’ heeft hij later aan zijn naam toegevoegd om zijn claim op de kroon kracht bij te zetten, uit de Dossiers blijkt namelijk dat de families Plantard en Saint-Clair de enige overgebleven nakomelingen van de Merovingen zijn.
(6) Les Dossiers Secrets zeggen niets over de afstamming van Jezus en zelfs grappenmaker Plantard heeft nooit beweerd dat de Priorij iets met de bloedlijn van Jezus te maken had. Dit is verzonnen door Leigh, Baigent en Lincoln, auteurs van het in de DVCode genoemde boek Het Heilige Bloed en de Heilige Graal. Dit is een belangrijk punt! Want er is dus helemaal geen verband tussen de Priorij van Sion en een alternatieve kijk op het leven van Jezus.

Die hele Priorij is dus een lacher, en daarmee kunnen we de pagina ‘FEITEN’ wel uit onze De Da Vinci Code scheuren.

Hoofdstuk 55

Vanaf nu is het vooral ‘historicus’ Leigh Teabing die aan het woord is. Vanaf dit hoofdstuk openbaart Teabing de ware aard van de graal. Teneinde tot een antichristelijke conclusie te komen is hij natuurlijk genoodzaakt leugens te vertellen over de Bijbel en de geschiedenis compleet te verdraaien.

Hij begint met twee citaten van Leonardo da Vinci, waaruit zou kunnen blijken wat Leonardo over het Nieuwe Testament (NT) dacht. In tegenstelling tot wat Teabing beweert is Leonardo’s mening helemaal niet ‘relevant’. Er is geen enkele reden waarom we de schilder als autoriteit zouden zien op het gebied van het NT. Maar om te illustreren hoe misleidend DVCode is, zullen we het hier toch even behandelen.

‘Uit Da Vinci’s notitieboek over polemiek en speculatie,’ zei Teabing, en hij wees één citaat aan. ‘Je zult wel zien dat dit relevant is voor ons gesprek.’ Sophie las de woorden.

Velen hebben hun brood verdiend met waanideeën en valse wonderen, en hebben zo de domme massa misleid.
– LEONARDO DA VINCI

‘En hier is er nog een,’ zei Teabing, en hij wees een ander citaat aan.

Blinde onwetendheid misleidt ons.
O! Miserabele stervelingen, open uw ogen!
– LEONARDO DA VINCI

Sophie kreeg een koude rilling. ‘Heeft Da Vinci het over de bijbel?’
Teabing knikte.

Natuurlijk zijn deze citaten volledig uit de context gerukt. Hier is het eerste citaat (1208), maar dan met de context:

1207.
The false interpreters of nature declare that quicksilver is the common seed of every metal, not remembering that nature varies the seed according to the variety of the things she desires to produce in the world.

1208.
And many have made a trade of delusions and false miracles, deceiving the stupid multitude.4

Zegt Leonardo hier iets over de Bijbel? Helemaal niets. Notitie 1207 gaat in elk geval over alchemisten. Notitie 1208 spreekt over alchemisten of wonderdoeners. Beide citaten lijken Leonardo’s tijdgenoten te betreffen, geen nieuwtestamentische personen.

Als er iemand is die zijn brood verdient met ‘delusions’ en zo de domme massa misleidt, dan is Brown het wel. De schrijvers van het Nieuwe Testament, daarentegen, hadden er beslist geen materieel profijt van het ware evangelie te verkondigen!

Ook het tweede citaat zegt niets over de Bijbel, zoals ieder zelf na kan lezen in The Notebooks of Leonardo Da Vinci – zie notitie 1182.

Teabing zet zijn kruistocht tegen de Bijbel voort:

Teabing schraapte zijn keel en verklaarde: ‘De bijbel is ons niet per fax uit de hemel toegezonden.’
‘Pardon?’
‘De bijbel is een product van de méns, lieve kind. Niet van God. De bijbel is niet op magische wijze uit de wolken komen tuimelen. De mens heeft de bijbel geschreven als historisch verslag van woelige tijden, en hij heeft zich via talloze vertalingen, toevoegingen en herzieningen ontwikkeld tot wat wij kennen. Er is nooit een definitieve versie van het boek geweest.’

(1) Dat de Bijbel ‘op magische wijze uit de wolken is komen tuimelen’ is natuurlijk een misrepresentatie van het christelijke standpunt. Natuurlijk is de Bijbel óók een menselijk product: het is geschreven vanuit het oogpunt van de schrijvers en de individuele schrijfstijlen zijn herkenbaar. Maar Gods Geest zorgde ervoor dat wat geschreven werd 100% accuraat was. Jezus zei: ‘Dit heb Ik tot u gesproken, terwijl Ik nog bij u verblijf; maar de Trooster, de heilige Geest, die de Vader zenden zal in mijn naam, die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb.’ (Johannes 14:25-26) Door de heilige Geest zouden de schrijvers van de Evangeliën zich dus goed kunnen herinneren wat er precies was gebeurd.

(2) Dat de Bijbel zich ‘via talloze vertalingen, toevoegingen en herzieningen’ heeft ontwikkeld tot wat wij nu kennen, geeft de valse indruk dat de Bijbel helemaal niets meer weg heeft van de originele geschriften. Wat betreft vertalingen: de meeste hedendaagse Bijbels zijn rechtstreekse vertalingen vanuit de Hebreeuwse en Griekse grondtekst, waarbij ook rekening wordt gehouden met vroege Griekse (LXX) en Latijnse (Vulgata) vertalingen. Wat betreft toevoegingen: dat zijn er geen ‘talloze.’ Er zijn maar enkele toevoegingen geïdentificeerd, bijvoorbeeld 1 Johannes 5:7b-8a, simpelweg doordat de oudste manuscripten dit gedeelte niet bevatten. In de meeste bijbelvertalingen is dit netjes aangegeven, bijvoorbeeld door het betreffende gedeelte tussen haken te zetten. Wat betreft herzieningen: de Hebreeuwse tekst van het Oude Testament bevatte oorspronkelijk geen klinkers, deze werden later door de Masoreten toegevoegd, om de uitspraak te verduidelijken. Deze taaltechnische herziening heeft weinig tot geen invloed gehad op de betekenis van de tekst.

Onder leiding van Teabings expertise komen we zo langzamerhand aan bij het hoogtepunt van De Da Vinci Code, of dieptepunt, vanuit academisch oogpunt bezien.

‘Er zijn meer dan táchtig evangeliën in aanmerking gekomen om in het Nieuwe Testament te worden opgenomen, maar uiteindelijk zijn er maar relatief weinig gekozen: die van Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes.’
‘Wie heeft er besloten welke evangeliën zouden worden opgenomen?’ vroeg Sophie.
‘Aha!’ riep Teabing enthousiast uit. ‘De fundamentele ironie van het christendom! De bijbel, zoals we die tegenwoordig kennen, is samengesteld door de heidense Romeinse keizer Constantijn de Grote.’

Het trieste is dat veel lezers dit echt geloven. (1) Het getal ‘táchtig’ is compleet uit de lucht gegrepen. Al lang, lang voor keizer Constantijn werden de evangeliën van Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes al als goddelijk geïnspireerd gezien. Bijvoorbeeld kerkvader Irenaeus schreef rond 180 AD in Adversus Haereses dat er precies vier evangeliën waren:

From this it is clear that the Word, the artificer of all things, being manifested to men gave us the gospel, fourfold in form but held together by one Spirit.5

Uit citaten van en toespelingen op het Nieuwe Testament door Irenaeus en nog vroegere kerkvaders (zoals Ignatius en Polycarpus die de apostelen nog gekend kunnen hebben, en Justinus de Martelaar, wiens werken halverwege de tweede eeuw geschreven zijn) blijkt welke vier evangeliën dat zijn: Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes.

(2) ‘Maar uiteindelijk zijn er maar relatief weinig gekozen’ klinkt net alsof het vreemd is dat andere boeken niet in het NT zijn opgenomen. Let wel: opname in de Bijbel zou betekenen dat deze boeken als gezaghebbend worden gezien. Het slaat natuurlijk nergens op dat alles wat over Jezus geschreven wordt automatisch opgenomen zou moeten worden in de Bijbel. Alsof het een ‘default instelling’ zou moeten zijn dat ieder religieus geschrift aan de bijbelse canon zou moeten worden toegevoegd.

En het niet in de Bijbel opnemen van een boek staat nog niet gelijk aan het censureren van dat boek. Het is nooit een geheim geweest dat er buiten-Bijbelse boeken zijn die niet werden beschouwd als goddelijk geïnspireerd.

(3) Natuurlijk heeft geen mens bepaald welke boeken goddelijk geïnspireerd zijn en welke niet. De waarheid is een gegeven dat los staat van de menselijke opinie. De bijbelboeken werden goddelijk geïnspireerd en de vroegchristelijke kerk heeft de geïnspireerde boeken herkend. De kerk is niet de bepaler van de canon, maar de ontdekker.

Vervolgens wordt ons door Teabing en Langdon verteld dat vele van de christelijke (of katholieke) symbolen en rituelen in feite heidens van aard waren. Dat is niets nieuws en niets ernstigs, tenminste, zolang het niet gaat over essentiële christelijke standpunten. (En natuurlijk kan ook het omgekeerde het geval geweest zijn: dat andere religies elementen van het christendom overnamen.) Ik laat apologeet J. P. Holding aan het woord:

The taking over of symbolism is true – but signifies ideological victory, not borrowing. Note to begin with that we are talking here not of apostolic Christianity of the first century, but of Christianity in the third and fourth centuries. What we see here is not so much ‘borrowing’ but a sort of advertising campaign, or a type of artistic one-upmanship. The pagan deity Mithra was depicted slaying the bull while riding its back; the church did a lookalike scene with Samson killing a lion. Mithra sent arrows into a rock to bring forth water; the church changed that into Moses getting water from the rock at Horeb. Why was this done? It was done because this was an age when art usually was imitative. This is because the people of the New Testament world thought in terms of what could be ‘probabilities,’ or verification from general or prior experience. Imitation was a way of asserting your superiority: ‘Mithra is not the real hero. Samson is. Ignore Mithra.’ ‘This mystery religion uses a miter as a sign of power. Well, we have the true power. We claim the miter for our own.’ Note that the borrowing only involved art and ritual – it did not involve borrowing of ideology.6

Kortom, het overnemen van symbolen is een uiting van superioriteit. Leerstellingen en ideologieën werden niet overgenomen. Sommige evolutionistische grapjassen doen precies hetzelfde met christelijke symbolen, bijvoorbeeld het Ichtusvisje. Ze maken er een Darwinvisje van die het Ichtusvisje opeet.

Mijters, aureolen en de manier waarop Maria, die Jezus de borst geeft, wordt afgebeeld. Dat soort dingen kunnen inderdaad overgenomen zijn. Maar Brown gaat in de fout als hij ook bijbelse gegevens aanwijst als zijnde gejat van andere religies:

De prechristelijke god Mithras – die de Zoon van God en het Licht van de Wereld werd genoemd – was geboren op 25 december, stierf, werd in een graf in de rotsen gelegd en stond na drie dagen weer op.

Dat Jezus geboren zou zijn op 25 december staat nergens in de Bijbel, dus dat kan inderdaad overgenomen zijn, maar de rest is onzin. J. P. Holding, die ik ook zojuist citeerde betreffende het overnemen van symbolen, heeft een artikel geschreven over Mithraïsme. Hij zegt dat hij Mithraïstische studies en literatuur doorzocht heeft, maar de titels ‘Zoon van God’ en ‘Licht van de Wereld’ nooit tegen is gekomen. Ook dat Mithras stierf, in een graf in de rotsen gelegd werd en na drie dagen weer opstond is geleerden niet bekend. Als iemand (citaten uit) prechristelijke geschriften kan vinden waar iets dergelijks gezegd wordt over Mithras, dan hoor ik het graag!

En dan nu… het intellectuele dieptepunt van De Da Vinci Code

‘Op deze bijeenkomst,’ zei Teabing, ‘werd over veel aspecten van het christendom gediscussieerd en gestemd; over de datum van Pasen, de rol van de bisschoppen, de toediening van sacramenten, en natuurlijk over de goddelijkheid van Jezus.’
‘Dat snap ik niet. Zijn goddelijkheid?’
‘M’n lieve kind,’ verklaarde Teabing, ‘tot op dat moment in de geschiedenis werd Jezus door zijn volgelingen gezien als een sterfelijke profeet… Een groot en machtig man, maar niettemin een mán. Een sterveling.’
‘Niet de zoon van God?’
‘Nee,’ zei Teabing. ‘Jezus werd pas benoemd tot de “zoon van God” nadat er een officieel voorstel voor was ingediend en over was gestemd door het Concilie van Nicaea.’
‘Wacht eventjes. Wilt u zeggen dat de goddelijkheid van Jezus het resultaat van een stémming was?’
‘En wel met een tamelijk kleine meerderheid,’ vervolgde Teabing.

(1) Jezus’ status als Zoon van God is niet afhankelijk van welke menselijke benoeming dan ook. God Zelf heeft gezegd: ‘Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb.’ (Matteüs 3:17) (2) En dit was wat Jezus’ volgelingen van het begin af aan geloofden! Ik zal dit illustreren met behulp van niet-bijbelse teksten van vóór het Concilie in 325:

For our God, Jesus Christ, was, according to the appointment of God, conceived in the womb by Mary, of the seed of David, but by the Holy Ghost.
Ignatius, Brief aan de Efeziërs 18:2, 110 AD

We do not act as fools, O Greeks, nor utter idle tales, when we announce that God was born in the form of a man.
Tatian, Rede aan de Grieken, Hoofdstuk 21, 170 AD

The Word, then, the Christ, is the cause both of our ancient beginning—for he was in God—and of our well-being. And now this same Word has appeared as man. He alone is both God and man, and the source of all our good things.
Clement, Vermaning aan de Grieken, 1:7:1, 190 AD

En zo wordt de bewering van ‘historicus’ Teabing weersproken door nog veel meer bewijsmateriaal waaruit duidelijk blijkt dat de volgelingen van Jezus altijd al geloofden dat Jezus de Zoon van God is. En dan hebben we het nog niet eens over de Bijbelse teksten (uit de eerste eeuw) die wijzen op het geloof in Jezus als Zoon van God.

(3) Er waren inderdaad enkele mensen, onder leiding van Arius, die Jezus niet zagen als goddelijk en dit werd inderdaad besproken in Nicea. Maar zelfs deze Arius en zijn aanhangers zagen Jezus niet als slechts een normale sterveling! De vraag die ter discussie stond was of Jezus en God één en dezelfde zijn (de Drie-eenheid) of dat Jezus langgeleden geschapen was. Het is vergelijkbaar met de discussie tussen reguliere christenen en Jehova’s getuigen. Historicus Teabing geeft dus een totaal verkeerd beeld van de opvattingen van de groep die weggestemd werd. O en trouwens, (4) wat betreft de ‘tamelijk kleine meerderheid,’ slechts 2 van de 300 bisschoppen weigerden uiteindelijk de geloofsbelijdenis te ondertekenen!7

Dan Brown’s enige verdediging op dit alles is z’n excuus dat de winnaars de geschiedenisboekjes schrijven. Dit loopt spaak op verschillende punten:

  • Op deze manier kun je alles goedpraten! Je kunt de meest vreemde geschiedenissen bedenken, ook al gaan ze recht in tegen alle geschriften die uit die tijd zijn overgeleverd, en beweren dat deze geschriften zijn geschreven door de ‘winnaars’ en dus niet betrouwbaar zijn, maar dat jouw bedenksel wel op feiten berust.
  • Er zijn christelijke manuscripten bewaard gebleven van vóór Constantijn, die onomstotelijk aantonen dat christenen toen al geloofden in Jezus als Zoon van God.
  • Brown stelt zelfs de ‘verliezers’ in een verkeerd daglicht, door te zeggen dat zij geloofden in een niet-bovennatuurlijke Jezus.

Maar Hoofdstuk 55 heeft nog veel meer ‘deskundigheid’ voor ons in petto.

‘Constantijn gaf opdracht voor een nieuwe bijbel, waarin de evangeliën werden weggelaten die over de menselijke trekken van Jezus gingen en de evangeliën verfraaid werden die Hem goddelijk maakten. De vroegere evangeliën werden verboden, verzameld en verbrand.’

(1) Hoewel het een Romeinse gewoonte was om boeken van ongewenste religies te verbranden (en daar is het christendom eeuwenlang slachtoffer van geweest), is er geen historische basis voor de bewering dat er onder Constantijn evangeliën werden verbrand. Natuurlijk kan Brown opnieuw beweren dat dit niet in de geschiedenisboekjes staat omdat de winnaars de geschiedenis schrijven, maar dat is nooit afdoende om verzinsels als feiten weer te geven. (2) Brown doet alsof er ‘vroegere evangeliën’ waren dan de vier Evangeliën in het Nieuwe Testament. Natuurlijk heeft Brown geen enkele reden te geloven dat er vroegere evangeliën hebben bestaan, maar ze zijn dan ook verbrand. De nieuwtestamentische boeken worden door de meeste experts overigens gedateerd in de eerste eeuw en kunnen dus door ooggetuigen geschreven zijn. Hoeveel ‘vroeger’ wil Brown ze hebben? Zie deze uitgebreide lijst met dateringen van de nieuwtestamentische boeken door verscheidene experts. Zie ook deze algemene artikelen over de datering en het auteurschap van Matteüs, Marcus en Johannes.

‘Een interessant zijsprongetje,’ zei Langdon. ‘Iemand die de verboden evangeliën verkoos boven de versie van Constantijn, werd van heresie beschuldigd. Het woord “heresie” stamt uit die tijd. Het Griekse woord hairesis betekent “keuze”. Degenen die het oorspronkelijke verhaal van Jezus “kozen”, waren de eersten die aan heresie of ketterij deden.’

O, stamt het woord ‘heresie’ uit die tijd? Hoe komt het dan dat Irenaeus in 180 AD het boek Adversus Haereses schreef? En hoe komt het dan dat in de Griekse grondtekst van 2 Petrus 2:1 het woordje ‘hairesis’ staat en in Titus 3:10 ‘hairetikoos’ (ketter)?

‘Historici hebben het geluk gehad,’ zei Teabing, ‘dat sommige evangeliën die Constantijn heeft geprobeerd te vernietigen, toch zijn blijven bestaan. In de jaren vijftig van de vorige eeuw zijn in een grot in de buurt van Qumran in de woestijn van Judea de Dode-Zeerollen gevonden. …’

Dit soort blunders maken het recenseren van een boek nou zo leuk. De Dode Zeerollen werden (1) vanaf 1947 (en nog gedurende de jaren ’50) in meerdere grotten gevonden en (2) zijn geen christelijke maar judaïstische geschriften en bevatten zeker geen evangeliën! De Dode Zeerollen zijn geschreven tussen ongeveer 130 v.Chr. en 68 n.Chr. en bestaan uit oudtestamentische en niet-canonieke Joodse boekrollen. (3) Deze vondst betekende juist een geweldige bevestiging van het christelijke geloof, doordat het aantoonde hoe accuraat het Oude Testament over de eeuwen gekopieerd is.

‘Alle beschrijvingen van documenten zijn waarheidsgetrouw.’ Right…

Teabing vervolgt zijn betoog met een herinterpretatie van Leonardo da Vinci’s fresco Het Laatste Avondmaal, waaruit zou blijken dat de heilige graal in feite een persoon is, Maria Magdalena, en dat Jezus met haar getrouwd was. Van dergelijk bewijsmateriaal zijn we natuurlijk niet erg onder de indruk. Ook al zou Leonardo het er rechtstreeks op geschreven hebben, het bewijst niets. Leonardo leefde 1500 jaar na Christus en er is dus geen enkele reden waarom we hem op zijn woord zouden geloven. Zeker niet als het in strijd is met het Nieuwe Testament, dat in de eerste eeuw na Christus geschreven werd.

Toch zullen we de ‘argumenten’ voor deze herinterpretatie, zoals gegeven in de hoofdstukken 55 en 58, even bekijken. Hier zijn de argumenten, mijn reacties staan er onder:

  1. Er staan 13 bekers op tafel, geen heilige graal.
  2. De discipel aan de rechterhand van Jezus is niet Johannes, maar een vrouw: Maria Magdalena! ‘Het figuurtje had golvend haar, smalle, gevouwen handen en een zweem van borsten. Het was onmiskenbaar… een vrouw.’
  3. Jezus en Johannes alias Magdalena zijn spiegelbeeldig gekleed.
  4. Jezus en Johannes alias Magdalena buigen van elkaar af en vormen zo een V-vorm, een kelk, wat het oorspronkelijke symbool voor het vrouwelijke is.
  5. De lichamen van Jezus en Johannes alias Magdalena vormen samen ‘een enorme, perfect gevormde letter M.’
  6. Petrus buigt zich voorover naar Johannes alias Magdalena en maakt een dreigend gebaar met zijn hand.
  7. Op het fresco staat een hand met een mes afgebeeld, die tot geen van de personages behoort.

(1) Natuurlijk waren er 13 bekers, logisch als je met 13 mensen een feestmaaltijd houdt. Er is geen enkele bijbelse reden waarom de beker die Jezus liet rondgaan een kelk zou moeten zijn in plaats van een gewone beker. Dat is wat middeleeuwse legenden ervan gemaakt hebben, toen alle voorwerpen die Jezus aangeraakt zou kunnen hebben werden gezien als ‘relikwie.’ Voor de betekenis van de eucharistie, ‘dit is het bloed wat voor jullie gevloeid is,’ is het volledig irrelevant of men uit een beker of een kelk dronk.
(2) Dit is simpelweg de manier waarop Johannes in die tijd op veel schilderijen werd afgebeeld. De ‘zweem van borsten’ bij Johannes stelt in elk geval niets voor vergeleken bij die van de zogenaamd androgyne Mona Lisa (zie verderop).
(3) Als de huidige versie inderdaad de oorspronkelijke verflaag vertegenwoordigt, zijn ze helemaal niet spiegelbeeldig gekleed, Johannes’ cape is roze, veel lichter dan Jezus’ rode gewaad. Vóór de restauratie leken de kleuren wel veel meer overeen te komen.
(4) Zo’n simpele vorm zou je overal wel kunnen vinden.
(5) O? Ik zie geen perfecte M. Nergens. Zeker niet ‘te volmaakt om toeval te kunnen zijn’, zoals DVCode beweert.
(6) Het Laatste Avondmaal beeldt het moment uit dat Jezus de discipelen vertelt dat één van hen Jezus verraden zal. Petrus legt zijn hand op Johannes’ schouder en fluistert hem toe dat hij Jezus moet vragen wie van de discipelen Jezus verraden zal. Dit moment staat beschreven in het Evangelie van Johannes 13:23,24. ‘De leerling van wie Jezus veel hield’ is hier Johannes, die over zichzelf spreekt in de derde persoon, zoals hij ook doet in 19:26 en 20:2.
(7) Los van de vraag op welke manier dat iets over een huwelijk tussen Jezus en Maria zou zeggen, hoort de hand waarschijnlijk simpelweg bij Petrus. Het lijkt een vreemde positie, maar ik kan het zelf ook, dus wat is het probleem? Dit is waarschijnlijk het wapen dat Petrus gebruikte tegen de slaaf van de hogepriester, bij Jezus’ arrestatie (Johannes 18:10).

Brown heeft nog meer argumenten waarom Jezus getrouwd zou moeten zijn, die zullen we dadelijk behandelen, bij Hoofdstuk 58.

Hoofdstuk 56

Maar omdat ze een gevaar vormden voor de opkomst van de door mannen overheerste Kerk, werd het heilige vrouwelijke als demon voorgesteld en onrein genoemd. Het was de méns, niet God, die het begrip “erfzonde” heeft geïntroduceerd, waarbij Eva van de appel at en daarmee de zondeval van de mensheid bewerkstelligde.

(1) Brown doet alsof vrouwen in de hele prechristelijke wereld gelijke rechten hadden met de man. Totale onzin, natuurlijk. In veruit de meeste culturen voerden mannen de ‘boventoon,’ zowel vroeger als tegenwoordig. (2) De zondeval stond 1400 jaar voordat ‘de Kerk’ bestond al beschreven in Genesis. Dit kan dus geen kerkelijk bedenksel zijn. (3) En het is niet Eva, maar Adam die als hoofdverantwoordelijke voor de zondeval wordt aangemerkt:

Genesis 3:17-19, NBG ’51
En tot de mens zeide Hij: Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, en doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten; in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.

1 Korintiërs 15:22, NBG ’51
Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.

Hoofdstuk 58

In dit hoofdstuk proberen Teabing en Langdon te bewijzen dat Jezus en Maria Magdalena getrouwd waren. Hun belangrijkste bronnen zijn de gnostische evangeliën, die in 1945 bij Nag Hammadi werden gevonden.

‘Zoals ik al zei, wordt het huwelijk tussen Jezus en Maria Magdalena in de geschiedenis vermeld.’ Hij begon tussen zijn boeken te zoeken. ‘Bovendien is het veel logischer dat Jezus getrouwd was dan dat hij, zoals in de Bijbel staat, vrijgezel was.’
‘Waarom?’ vroeg Sophie.
‘Omdat Jezus een jood was,’ zei Langdon, die het van Teabing overnam terwijl die laatste naar een boek zocht. ‘In die tijd was het volgens de etiquette bijna ondenkbaar dat een joodse man ongetrouwd was. In de joodse traditie werd het celibaat veroordeeld en was het de plicht van een joodse vader om een passende vrouw voor zijn zoon te zoeken. Als Jezus niet getrouwd was geweest, zou dat in minstens een van de bijbelse evangeliën zijn vermeld en zou er een verklaring zijn gegeven voor zijn onnatuurlijke staat van vrijgezel.’

(1) Het celibaat was helemaal niet zo onacceptabel als Langdon hier beweert. Het was inderdaad de opvatting van de rabbi’s dat een man moest trouwen en zich voort moest planten, maar hun mening was beslist geen wet (sterker nog, veel mensen waren de religieuze leiders helemaal niet gehoorzaam). En er waren uitzonderingen waarbij het wel geaccepteerd werd dat een man celibaat leefde, bijvoorbeeld voor onderzoekers van de Tora en in het geval van een profetische roeping. En er waren, ondanks de rabbijnse opvattingen, toch hele groepen die (grotendeels) celibaat leefden, zoals de Essenen.

(2) Dan gaat Browns argument dat Jezus’ celibaat vermeld zou zijn natuurlijk niet meer op. En hier is een nog veel sterker argument dat Jezus niet getrouwd was:

1 Korintiërs 9:5, NBV ’04
Zouden wij niet het recht hebben een gelovige echtgenote op onze reizen mee te nemen, zoals de andere apostelen, de broers van de Heer en Kefas? [Kefas = Petrus]

Paulus, de schrijver van 1 Korintiërs, eist hier het recht op een vrouw te mogen trouwen en mee te nemen op zijn evangelisatiereizen. Als onderbouwing noemt hij Petrus en de broers van Jezus, die ook getrouwd waren.

Ten eerste, als Jezus getrouwd was, waarom zou dit dan überhaupt een discussiepunt zijn?

Ten tweede, als Jezus getrouwd was, waarom zou Paulus hier dan Petrus en de broers van Jezus noemen als voorbeeld van mensen die ook getrouwd waren? Hij zou rechtstreeks naar Christus kunnen verwijzen! Dit is een aanwijzing uit de eerste eeuw dat Jezus niet getrouwd was.

Voor meer informatie over de vraag of Jezus een vrouw had, zie het artikel Was Jezus getrouwd?

‘Dit zijn fotokopieën van de Koptische codices en de Dode-Zeerollen, waar ik het eerder over heb gehad,’ zei Teabing. ‘De vroegste christelijke teksten. …’

Nonsens. (1) De Dode Zeerollen zijn judaïstisch (gedeeltelijk oudtestamentisch) en de Koptische codices zijn gnostisch. Beiden zijn dus niet christelijk. (2) De gnostische evangeliën zijn geenszins vroeger dan de bijbelse evangeliën, die uit de eerste eeuw stammen. Nagenoeg iedere expert dateert de bijbelse evangeliën vroeger. Dit geldt zeker voor de evangeliën van Filippus en Maria Magdalena, die Dan Brown aanhaalt (zie hieronder). Het enige Evangelie dat volgens sommige geleerden in aanmerking komt voor een vroege datering is het Evangelie van Thomas. Maar de meesten dateren dit evangelie rond 150 AD, later dan de bijbelse Evangeliën.

‘Het Evangelie van Filippus is altijd een goede plek om te beginnen.’
Sophie las de passage.

En de metgezellin van de Heiland is Maria Magdalena. Jezus hield meer van haar dan van alle discipelen en kuste haar vaak op de mond. De andere discipelen waren daar boos over en spraken hun afkeuring uit. Ze zeiden tegen hem: ‘Waarom houdt u meer van haar dan van ons?’

De woorden verrasten Sophie, maar ze leken niet erg overtuigend. ‘Er wordt niets over een huwelijk gezegd.’
Au contraire.’ Teabing glimlachte en wees naar de eerste regel. ‘Zoals elke kenner van het Aramees je zou kunnen vertellen, betekende het woord “metgezellin” in die tijd letterlijk “echtgenote”.’

(1) O werkelijk? En dat terwijl het Evangelie van Filippus helemaal niet in het Aramees geschreven is! Het document wat bij Nag Hammadi gevonden is, is een Koptische vertaling van een waarschijnlijk Grieks origineel. (2) Het Koptische woord voor ‘metgezellin’ is hier ‘koinonos,’ een leenwoord vanuit het Grieks, en betekent helemaal niet altijd ‘echtgenote.’ Het betekent normaal gesproken zoiets als deelgenoot, deelnemer, makker of metgezel.8 Het komt zelfs in de Bijbel voor, Paulus gebruikt het woord als hij het over Titus heeft:

2 Korintiërs 8:23, NBV ’04
Wat Titus betreft: hij is mijn metgezel [koinonos] en werkt met ons mee ten dienste van u.

(3) Natuurlijk moeten we ons bedenken dat het Evangelie van Filippus eeuwen na Jezus geschreven is en dus niet persé betrouwbare informatie bevat. Het kan dus onmogelijk als bewijs worden aangevoerd dat Jezus Maria op de mond kuste.

(4) Wat betreft die kus op de mond, de tekst van het Nag Hammadi document was gedeeltelijk vergaan. Het bovenstaande citaat is een reconstructie van de volgende gatenkaas: ‘En de metgezellin van de […] Maria Magdalena [… hield] meer van haar dan van alle discipelen en kuste haar [vaak] op haar […]’ De woordjes ‘hield’ en ‘vaak’ zijn twijfelachtig. ‘Mond’ is een invulling van de vertaler.

(5) Voor de gnostische schrijver van het Evangelie van Filippus zou een zoen op de mond geen seksuele relatie aanduiden. In een ander gnostisch werk, genaamd Tweede Openbaring van Jakobus, staat er zelfs dat Jezus Jakobus op de mond zoende!

‘Ik zal je niet vervelen met de talloze verwijzingen naar de verbintenis tussen Jezus en Magdalena. Die zijn al tot vervelends toe onderzocht door hedendaagse historici. …’

Dit soort kletspraat vind je overal in DVCode en het geeft de indruk dat historici over grote hoeveelheden bewijsmateriaal beschikken voor wat er in het boek beweerd wordt. Maar dit is pure bluf. Brown heeft zojuist zijn beste kruid al verschoten met het citaat uit het Evangelie van Filippus, maar dat stelde dus helemaal niets voor. Er is niets, helemaal niets dat wijst op een huwelijksverbintenis of liefdesrelatie tussen Jezus en Maria. Zelfs niet in de gnostische evangeliën.

‘Dit komt uit het Evangelie van Maria Magdalena.’
Sophie wist niet dat er een evangelie in de woorden van Magdalena bestond. Ze las de tekst.

En Petrus zei: ‘Heeft de Heiland echt met een vrouw gepraat zonder dat wij dat wisten? Moeten wij ons omdraaien en allemaal naar haar luisteren? Verkoos hij haar boven ons?’
En Levi antwoordde: ‘Petrus, jij bent altijd al heetgebakerd geweest. Nu zie ik je wedijveren met de vrouw alsof ze een tegenstander is. Als de Heiland haar geschikt acht, wie ben jij dan om haar af te keuren? De Heiland kent haar heel goed. Daarom hield hij meer van haar dan van ons.’

‘De vrouw over wie ze het hebben,’ legde Teabing uit, ‘is Maria Magdalena. Petrus is jaloers op haar.’
‘Omdat Jezus haar verkoos?’
‘Niet alleen dat. Er stond veel meer op het spel dan genegenheid. Op dit punt in de evangeliën vreest Jezus dat hij snel gevangengenomen en gekruisigd zal worden. Dus geeft hij Maria Magdalena instructies over hoe ze Zijn Kerk moet voortzetten als Hij er niet meer is. Petrus uit hier zijn ongenoegen over het feit dat hij tweede viool moet spelen en dat hij een vrouw boven zich moet dulden. Petrus was een beetje seksistisch.’

(1) Er bestaat geen ‘evangelie in de woorden van Maria Magdalena.’ Dit ‘evangelie’ is net als de andere gnostische evangeliën meer dan een eeuw na het leven van Jezus geschreven. Voor meer informatie over de datering en betrouwbaarheid van deze evangeliën, zie het boek Hidden Gospels van Philip Jenkins.

(2) Teabing zegt dat Jezus Maria instructies gaf om de kerk te leiden, maar dat staat nergens in het evangelie. Het hele verhaal (dat zich waarschijnlijk na de kruisiging en opname van Jezus afspeelt, in tegenstelling tot wat Teabing beweert) gaat over een visioen waarin Jezus Maria bepaalde informatie geeft, wat de discipelen inspireert te gaan evangeliseren. Zie hier voor de volledige tekst van het Evangelie van Maria Magdalena. Dezelfde website bevat vele andere gnostische teksten.

Hoofdstuk 74

Langdons joodse studenten keken altijd verbluft als hij hun vertelde dat rituele seks deel uitmaakte van de vroegste joodse traditie. In de tempel, nog wel. […] Mannen die naar spirituele volledigheid streefden, kwamen naar de tempel om daar met priesteressen – of hiërodules – gemeenschap te hebben en door die lichamelijke vereniging het goddelijke te ervaren.

Dit maakte zeker niet deel uit van de vroegste Joodse traditie! Maar ritualistische seks werd inderdaad bedreven in perioden van goddeloosheid. 1 Koningen 14:24 zegt: ‘Ook werd er in het land tempelprostitutie bedreven. Kortom, men gaf zich over aan alle verfoeilijke praktijken van de volken die de HEER voor de Israëlieten verdreven had.’

Het joodse tetragrammaton JHWH – de naam van God in het Hebreeuws – staat voor Jahweh of Jehova, een androgyne lichamelijke vereniging van het mannelijke Jah en de pre-Hebreeuwse naam voor Eva, Havah.

Dergelijk respectloos gerommel met Gods Naam staat natuurlijk garant voor nog meer blunders. Brown redeneert vanuit Jehova, maar deze uitspraaksvorm van JHWH is gebaseerd op een vergissing. Omdat de Joden Gods Naam niet meer durfden uit te spreken, zeiden ze bij het voorlezen van de heilige Schriften ‘Adonai’ (dat betekent ‘Heer’) in plaats van ‘Jahweh’ (waarschijnlijk de oorspronkelijke uitspraak van JHWH). Als herinnering aan deze alternatieve voorlezing plaatste men de klinkers van Adonai tussen de medeklinkers JHWH, waardoor het woordje JaHoWaH ontstond, wat christenen er later toe bracht te denken dat ‘Jehova’ de juiste uitspraak was.9 Het slaat nergens op dat JHWH een androgyne samensmelting is van een mannelijke en een vrouwelijke eenheid. Die ‘prehebreeuwse naam voor Eva’ is een bedenksel van Brown. JHWH betekent: ‘Ik ben.’

Brown’s hoofdpersonage Langdon probeert rituele seks goed te praten door het te verheerlijken als zijnde een spirituele daad waarmee contact met God verkregen kan worden. Natuurlijk draagt het sekshatende, plezierhatende christendom de schuld dat seks als iets zondigs wordt gezien. Langdon:

‘Vinden jullie het gek dat we tegenstrijdige gevoelens hebben over seks?’ had hij zijn studenten gevraagd. ‘Ons alleroudste erfgoed en ons eigen lichaam vertellen ons dat seks natuurlijk is, een mooie weg naar spirituele vervulling, maar de hedendaagse godsdiensten schilderen seks af als schandelijk en leren ons dat we onze seksuele verlangens moeten vrezen als de hand van de duivel.’

God heeft seks geschapen en wil dat de man en de vrouw ‘één vlees’ worden. Seksuele eenwording is bedoeld tussen één man en één vrouw. Het probleem is dat veel mensen er iets laagdrempeligs van maken. Iets goedkoops. Dat is de ware reden waarom we tegenstrijdige gevoelens hebben over seks: we weten dat het eigenlijk iets heel waardevols is.

Samenvatting

De hoofdgedachte van De Da Vinci Code luidt als volgt: Jezus was een gewone sterveling, trouwde en kreeg kinderen. Het huidige christendom is een creatie van keizer Constantijn, die van Jezus een God maakte en de Bijbel samenstelde. Het ware verhaal is echter eeuwenlang door de Priorij van Sion bewaard en wordt in gecodeerde vorm verteld in de kunstwerken van Leonardo da Vinci.

We hebben gezien dat deze hoofdgedachte volledig berust op fictie. Jezus was niet getrouwd, Hij werd van begin af aan door zijn volgelingen gezien als de Zoon van God en de vier bijbelse evangeliën waren eeuwen voor Constantijn al geaccepteerd als zijnde Gods Woord. De Priorij van Sion is niet meer dan een grap uit de jaren ’50 en de Dossiers Secrets zijn allesbehalve authentiek. Zelfs de kunstwerken van Leonardo bevatten geen verborgen aanwijzingen. De Da Vinci Code is een leuk verhaal, maar niet realistischer dan de Fabeltjeskrant.

4. Overige vergissingen

In de vorige sectie is al gebleken dat DVCode compositie van fouten en verdraaiingen is. De bedoeling van deze sectie is de laatste twijfels over de betrouwbaarheid van DVCode weg te nemen. Ik citeer Brown nogmaals:

Alle beschrijvingen van kunstwerken, architectuur, documenten en geheime rituelen in dit boek zijn waarheidsgetrouw.
Dan Brown, De Da Vinci Code, ‘FEITEN’

One of the many qualities that make The Da Vinci Code unique is the factual nature of the story. All the history, artwork, ancient documents, and secret rituals in the novel are accurate, as are the hidden codes revealed in some of da Vinci’s most famous paintings.
Dan Brown in een interview met Ruth Mariampolski

In deze sectie wordt echter, als toevoeging op de vorige sectie, aangetoond dat DVCode wel degelijk foutieve beschrijvingen bevat van:

– Kunstwerken
– Architectuur
– Documenten
– Geschiedenis

Let wel: Ik heb er uiteraard geen enkel probleem mee dat een auteur van een fictief boek dingen zelf bedenkt. Maar laat hij dan niet beweren dat zijn boek op al die gebieden nauwkeurig is.

Hoofdstuk 4

De piramide van het Louvre: 666 glazen ruiten?

Hij vroeg zich af of Fache enig idee had dat deze piramide, op uitdrukkelijk verzoek van president Mitterrand, was gemaakt van precies 666 glazen ruiten, een bizar verzoek dat altijd een heet hangijzer was geweest onder liefhebbers van complottheorieën, die beweerden dat 666 het getal van Satan was.

Dit is een inaccurate beschrijving van architectuur. Ik ben er geweest en heb het berekend: de piramide bestaat uit 673 ruiten. Het zijn vier driehoekige vlakken die aan de basis 18 ruiten breed zijn en aan de top 1 ruit, dat zijn dus 171 ruiten per vlak, dus bij elkaar 684 ruiten. Maar vanwege de ingang ontbreken er bij één vlak 11 ruiten, dus het totaal is 673.

Hoofdstuk 8

Over Leonardo Da Vinci.

‘Meneer Langdon,’ zei Fache, ‘een man als u weet vast wel dat Leonardo da Vinci belangstelling had voor de zwarte kunst.’
Langdon was verrast dat Fache zoveel van Da Vinci wist, en het verklaarde de vermoedens van duivelsverering die de hoofdinspecteur koesterde. Da Vinci was altijd een lastig onderwerp voor historici geweest, vooral binnen de christelijke traditie. Hij was weliswaar een man met visie en een genie geweest, maar ook een zwierige homoseksueel en een aanbidder van de goddelijke orde van de natuur, twee aspecten waardoor hij voortdurend in een toestand van zonde tegenover God verkeerde. Bovendien hield de kunstenaar er een paar griezelige, zonderlinge gewoontes op na die inderdaad een wat demonische indruk wekten: Da Vinci groef lijken op om de menselijke anatomie te bestuderen, hij hield mysterieuze dagboeken bij in een onleesbaar spiegelschrift, hij geloofde dat hij over de alchemistische krachten beschikte om lood in goud te veranderen en meende zelfs God te slim af te zijn door een drankje te maken dat de dood zou uitstellen, en onder zijn uitvindingen bevonden zich afschuwelijke, nooit eerder bedachte oorlogswapens en martelwerktuigen.
Onbegrip leidt tot wantrouwen, dacht Langdon.
Zelfs Da Vinci’s enorme productie van adembenemende christelijke kunst versterkte alleen zijn reputatie van religieuze hypocrisie.

Vier á vijf fouten op een halve pagina. (1) In tegenstelling tot wat Brown hier beweert was Da Vinci geen natuuraanbidder, maar natuurwetenschapper. (2) Er zijn ook geen harde aanwijzingen dat Leonardo homoseksueel was (laat staan een ‘zwierige’ homoseksueel). Enkel een anonieme aanklacht sodomie, waarvan hij werd vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs, en een vaag gerucht over één van zijn leerlingen. Da Vinci leefde waarschijnlijk celibaat, wat toch in strijd lijkt te zijn met de zogenaamde opvattingen van de Priorij van Sion dat een man pas spiritueel compleet was na gemeenschap met een vrouw.

(3) Over alchemisten noteerde Da Vinci:

The false interpreters of nature declare that quicksilver is the common seed of every metal, not remembering that nature varies the seed according to the variety of the things she desires to produce in the world.

And many have made a trade of delusions and false miracles, deceiving the stupid multitude.10

Dit citaat is hierboven ook al aangehaald in de analyse van Hoofdstuk 55, omdat Brown het in DVCode over laat komen alsof Da Vinci het in het laatste zinnetje over de Bijbel heeft. Maar in feite kunnen we hieruit dus opmaken dat Leonardo kritisch is over alchemisten en ‘wonderdoeners’ uit zijn tijd. We zijn dus zeer gerechtigd vraagtekens te stellen bij Brown’s bewering dat Da Vinci dacht een levenselixer te kunnen maken en lood in goud te kunnen veranderen. Da Vinci’s interesse in alchemie had waarschijnlijk meer met chemie te maken, zie bijvoorbeeld notitie 1128 over Grieks vuur.

(4) Verder maakte Da Vinci geen martelwerktuigen en (5) is het historisch onjuist om hem een ‘enorme productie’ toe te schrijven. Hij werkte traag en rondde zijn werk vaak niet af.

Hoofdstuk 22

De eerste nulmeridiaan?

Voor de vroegste scheepvaarders was de vraag welke van die lijnen de rose ligne genoemd zou worden, de nulmeridiaan, de lijn van waaruit alle andere geografische lengtes gemeten zouden worden.
Tegenwoordig loopt die lijn door Greenwich in Engeland, maar dat was niet altijd zo geweest.
Voordat was bepaald dat de nulmeridiaan door Greenwich zou lopen, had die lange tijd door Parijs gelopen, door de Saint-Sulpice. De koperen strook in de Saint-Sulpice herinnerde aan de eerste nulmeridiaan die de wereld had gekend, en hoewel Greenwich in 1888 met de eer was gaan strijken, was de oorspronkelijke rose ligne nog steeds te zien.

Brown verdient geen hoog cijfer voor geschiedenis. De nulmeridiaan van Parijs was niet ‘de eerste nulmeridiaan die de wereld had gekend.’ Voor zover bekend was Hipparchus de eerste die een nulmeridiaan invoerde die door het eiland Rhodos liep – in de tweede eeuw voor Christus. In de eeuwen voor 1888 waren er allerlei nulmeridianen in gebruik en die van Greenwich was reeds lang voor 1888 de meest populaire.

Hoofdstuk 26

‘Mona Lisa’ een anagram voor ‘AMON L’ISA’?

‘En weten jullie wie Amons tegenhanger was? De Egyptische vruchtbaarheidsgodín?’
Het bleef een paar seconden stil.
‘Dat was Isis,’ vertelde Langdon, en hij pakte een stift. ‘Dus we hebben de mannelijke god, Amon.’ Hij schreef de naam op. ‘En de vrouwelijke godin, Isis, wier oude pictogram vroeger L’ISA werd genoemd.’
Langdon was klaar met schrijven en stapte achter de projector vandaan.

AMON L’ISA

‘Zien jullie het al?’ vroeg hij.
‘Mona Lisa… Godsamme,’ bracht iemand uit.
Langdon knikte. ‘Heren, niet alleen ziet het gezicht van Mona Lisa er androgyn uit, maar haar naam is een anagram van de goddelijke versmelting van het mannelijke en het vrouwelijke. En dát, vrienden, is Da Vinci’s geheimpje, en de reden dat Mona Lisa veelbetekenend glimlacht.’

Leonardo heeft het schilderij nooit de Mona Lisa genoemd, die naam werd pas later gebruikt. Het anagram voor ‘Amon L’isa’ is dus een verzinsel, of in elk geval niet ‘de reden dat Mona Lisa veelbetekenend glimlacht.’

Hoofdstuk 30

De afmetingen van Madonna in de grot.

In de roodachtige schemering zag hij dat de vrouw het grote schilderij [Madonna in de Grot] van de kabels had getild en op de vloer voor haar had gezet. Doordat het anderhalve meter hoog was, ging bijna haar hele lichaam verborgen achter het doek.

Hoezo ‘alle beschrijvingen van kunstwerken zijn waarheidsgetrouw’? Dit schilderij is geen anderhalve meter hoog, maar 122 bij 199 centimeter.

Ik heb het schilderij onlangs bezichtigd in het Louvre. De lijst is zo breed en zwaar dat ik zeer onder de indruk zou zijn als iemand dit kunstwerk zomaar even van de muur zou kunnen tillen.

Hoofdstuk 32

Wat betreft Browns analyse van Madonna in de Grot, die valt al grotendeels in duigen als je bedenkt dat hij Jezus en Johannes de Doper met elkaar verward heeft. In feite is het natuurlijk Johannes de Doper die Jezus aanbidt. Dat Leonardo’s schilderij niet goed ontvangen werd, had te maken met het niet halen van de deadline en zijn nalatigheid de aureolen te schilderen.

Hoofdstuk 55

Zoals je in de eerdere analyse van Hoofdstuk 55 hebt kunnen lezen vertegenwoordigt dit hoofdstuk historische onkunde van een ongeëvenaard niveau. Hier is nog een klein blundertje:

‘Het was essentieel voor het functioneren van de Kerk en de staat dat Christus als de Messias werd gezien. …’

A ja. Men moet Christus als Messias zien. Dat is essentieel…
Aangezien ‘Christus’ en ‘Messias’ precies hetzelfde betekenen, namelijk ‘gezalfde,’ vrees ik dat de Kerk in haar snode plannen zal slagen.

Hoofdstuk 60

Lastercampagne tegen Maria?

Om zich te verdedigen tegen Magdalena’s invloed, verbreidde de Kerk het beeld van haar als hoer en verborg bewijzen dat Christus met haar getrouwd was.
[…]
Omdat het door de Kerk verboden was haar naam te gebruiken, kreeg ze allerlei pseudoniemen: de kelk, de heilige graal en de roos.

Hoe kun je iemand als hoer afschilderen én haar naam verbieden?

DVCode zegt dat de Kerk een lastercampagne voerde tegen Maria Magdalena, maar dat is uiteraard nonsens. Het is wel zo dat paus Gregorius haar in de zesde eeuw onterecht bestempelde als prostituee, maar dat had niets met een lastercampagne te maken. Drie punten:

  • In Lucas 8:2 staat dat Jezus zeven boze geesten uit Maria had gedreven. Demonische bezetting is evengoed verschrikkelijk, dus het motief om haar ook nog eens als hoer af te schilderen was niet zo heel sterk. In plaats daarvan lijkt het er veel meer op dat het gewoon een interpretatiefout was. Jezus wordt in de Evangeliën namelijk tweemaal door een vrouw gezalfd, éénmaal door een niet bij de naam genoemde zondige vrouw (allicht een prostituee, Lucas 7:36-50) en éénmaal door een Maria (Matteüs 26:6-13, Marcus 14:1-11 en Johannes 12:1-8). Omdat de twee gebeurtenissen op elkaar lijken dacht paus Gregorius dat het in deze twee gevallen om dezelfde vrouw ging. En omdat de tweede vrouw Maria heette, werd ze met Magdalena verward. Maar paus Gregorius heeft zich in beide gevallen vergist: het gaat duidelijk om twee verschillende verhalen (en dus twee verschillende vrouwen). En de Maria die Jezus’ hoofd en voeten zalfde was de zus van Marta en Lazarus, en is dus een andere Maria dan Maria Magdalena. Gregorius de Grote heeft per ongeluk drie vrouwen samengevoegd in één personage.
  • Het hele christendom draait juist om het principe dat zondige mensen tot bekering komen, vergeven worden en het eeuwige leven krijgen. Of iemand nou demonisch bezet is (Magdalena), overspel pleegt (zoals de Samaritaanse vrouw), een corrupte tollenaar is (zoals de discipel Matteüs), of een gewoon zondig mens zoals jij, ik en paus Gregorius, iedereen moet zich bekeren. Als iemand zich bekeert en vergeving vraagt, maakt het niet meer zoveel uit of je voor je bekering nou prostituee of sterrenwichelaar was.
  • Er is een katholieke feestdag vernoemd naar Maria Magdalena (22 juli). Niet echt iets wat je zou verwachten in het kader van een lastercampagne.

Asterix wijst enthousiast naar het bordje ‘Lutetia’, wat in de Oudheid inderdaad de naam van Parijs was.

‘De Merovingers hebben de grondvesten van Parijs gelegd.’

Sophie, een inwoonster van Parijs, maakt hier een geschiedkundige fout. Hoewel de Merovingse koning Clovis I Parijs tot de hoofdstad van het Frankische Rijk maakte, bestond de stad al lang vóór de Merovingen, onder de namen Lutetia Parisiorum en Lutèce. Als het gaat om historische betrouwbaarheid kan De Da Vinci Code niet tippen aan Asterix en Obelix.

Hoofdstuk 71

Brown zegt dat de achttien bladen waaruit Codex Leicester bestaat ‘perkamenten’ zijn (dierenhuid). Dit is een foutieve beschrijving van een document, want Codex Leicester is geschreven op linnen.

Hoofdstuk 95

DVCode zegt dat Alexander Pope de begrafenis van Newton leidde, maar dat is historisch onjuist. Het is natuurlijk prima dat een schrijver dergelijke details verzint, maar waarom zegt hij dan dat alle geschiedenis accuraat is?

Algemene en terugkerende onderwerpen

Over kathedralen. In tegenstelling tot DVCode waren de tempeliers over het algemeen geen ontwerpers van kathedralen (ze waren veelal analfabeet en hadden geen kennis van heilige geometrie). Ook was een ronde kerk geen belediging voor het christendom (ronde kerken waren een ode aan de Heilige Grafkerk in Jeruzalem). En de ingang van gotische kerken staat niet symbool voor het vrouwelijke voortplantingsorgaan.

Brown gebruikt ‘het Vaticaan’ alsof het synoniem is aan ‘de Kerk,’ zelfs in de tijd dat het Vaticaan nog helemaal geen dienst deed als de residentie van de paus (zoals in de tijd van Constantijn) of de paus zelfs helemaal niet in Rome zetelde (zoals Clemens V in de tijd van de tempeliers).

Tot slot is Opus Dei, als vanzelfsprekend, niet blij met de manier waarop ze afgeschilderd wordt in DVCode. Hier vind je een door Opus Dei geschreven reactie. Let wel, zelfkastijding zie ik als iets verschrikkelijks, waar totaal geen bijbelse basis voor is.

5. Conclusie

De Da Vinci Code van Dan Brown levert ongetwijfeld veel leesplezier op, maar is 100% fictie. Iedere pretentie tot academisch vernuft faalt hopeloos. De vragen die we ons voor de analyse van DVCode stelde, kunnen allemaal met ‘nee’ beantwoord worden. Geniet van het verhaal, maar hecht geen waarde aan de historische, morele en spirituele boodschap van het boek.

Wie betrouwbare informatie wil over het leven van Jezus en zijn eerste volgelingen, kan zich beter richten op bronnen uit de eerste eeuw, zoals de bijbelse geschriften.

6. Referenties

1. Brian A. Pavlac, Ten Common Errors and Myths about the Witch Hunts [Terug naar tekst.]

2. Miriam Ibbotson, The Priory of Sion Hoax, 2002 [Terug naar tekst.]

3. Simon Cox, De Geheimen van De Da Vinci Code, p. 35 [Terug naar tekst.]

4. Leonardo da Vinci, The Notebooks of Leonardo Da Vinci, Volume 2, notities 1207 en 1208 [Terug naar tekst.]

5. Irenaeus van Lyon, Adversus Haereses [Terug naar tekst.]

6. James Patrick Holding, Not InDavincible [Terug naar tekst.]

7. James R. White, What Really Happened at Nicea? [Terug naar tekst.]

8. James Strong, Strong’s Concordance, nr. 2844 [Terug naar tekst.]

9. Willem Ouweneel & Willem Glashouwer, Het Ontstaan van de Bijbel, 1998, p. 57 [Terug naar tekst.]

10. Leonardo da Vinci, The Notebooks of Leonardo Da Vinci, Volume 2, notities 1207 en 1208 [Terug naar tekst.]

Vergist het Evangelie van Lukas zich over de volkstelling?

Wat is het beste voorbeeld van een historische fout in de evangeliën? De meeste critici hoeven daar niet lang over na te denken: de volkstelling onder keizer Augustus. De eerste paar verzen van het bekende kerstverhaal zouden zo vol zitten met historische blunders, dat deze onmogelijk allemaal weg te verklaren zijn. Is deze kritiek terecht? Laten we eens kijken naar wat er écht staat.

Problemen

In Lukas 2:1-2 lezen we:

En het geschiedde in die dagen dat er een gebod uitging van keizer Augustus dat heel de wereld ingeschreven moest worden. Deze eerste inschrijving vond plaats toen Cyrenius over Syrië stadhouder was.

Drie dingen schijnen hier niet te kloppen:

  1. Inschrijvingen (ook wel census of volkstellingen genoemd) vonden plaats per provincie; nooit werd de hele wereld (het hele Romeinse Rijk) in één keer ingeschreven.
  2. Inschrijvingen in provincies van het Rijk hadden als doel om belasting te kunnen heffen. Ten tijde van Jezus’ geboorte (onder de heerschappij van Herodes de Grote) was Judea echter geen provincie, maar een vazalstaat. Vazalstaten mochten hun eigen belastingen heffen. In het Judea van die tijd zou keizer Augustus dus geen inschrijving laten plaatsvinden.
  3. Cyrenius (ook bekend als Quirinius) werd pas stadhouder over Syrië in 6 na Christus, terwijl Herodes de Grote in 4 voor Christus overleed. Aangezien Jezus werd geboren in de tijd van Herodes, kan een inschrijving onder Cyrenius dus pas minstens negen jaar na de geboorte van Jezus hebben plaatsgevonden.

Deze drie punten zijn alle drie vrij zeker, dus het lijkt erop dat Lukas hier fout zit. Ik zal eerst kort de historische achtergrond schetsen en daarna ingaan op deze drie vermeende fouten.

Geschiedenis

Ruim dertig jaar was Herodes de Grote koning over Judea, van 37 tot 4 v.Chr. Judea was toen onder de heerschappij van het Romeinse Rijk. Het grootste gedeelte van Herodes’ regering was hij ondergeschikt aan keizer Augustus. De verhoudingen tussen Augustus en Herodes waren erg goed en Herodes kreeg daarom veel zelfstandigheid. Herodes kreeg de titel ‘koning der Joden’ en werd ook ‘de vriend van de keizer’ genoemd.

Rond 8 v.Chr. trok Herodes op tegen rovers uit het land Trachonitis. Dezen zorgden voor veel overlast en schade in verschillende gebieden van Herodes’ rijk en Syrië. De rovers hadden toevlucht gezocht in Arabië, waar Sylleus destijds koning was. Herodes trok Arabië binnen en versloeg daar de rovers, zonder een Arabier te doden. Syrische ijlboden brachten echter een onjuist bericht naar Sylleus, die op dat moment bij keizer Augustus was. Deze vertelde Augustus dat Herodes Arabië binnen was getrokken en het verwoest had. Augustus reageerde woedend en schreef Herodes dat deze voorheen diens vriend was geweest, maar dat hij Herodes voortaan zou behandelen als een onderdaan. Hij wilde ook geen boodschappers van Herodes meer aanhoren. Een tijd later – we weten niet precies hoe lang – kwam aan het licht dat Sylleus niet de waarheid had gesproken. Augustus herstelde Herodes weer in ere en liet Sylleus ter dood brengen. Dit alles valt te lezen in het zestiende boek van de Joodse Oudheden van Flavius Josephus.

Enkele jaren later, in 4 v.Chr., stierf Herodes en werd zijn rijk verdeeld onder drie van zijn zoons. Herodes Archelaüs werd de heerser (‘ethnarch’) over Judea. In 6 n.Chr. klaagden enkele vooraanstaande burgers Archelaüs aan bij Augustus. Deze verbande Archelaüs en Judea werd bij de Romeinse provincie Syrië gevoegd. Cyrenius, de net aangestelde stadhouder over Syrië, werd opgedragen een volkstelling te houden om in Judea belasting te kunnen heffen.

‘De hele wereld’ of ‘het hele land’?

Bijbelvertalingen geven vaak aan dat Lukas met het Griekse woord οἰκουμένη bedoelde dat ‘de hele wereld’ ingeschreven moest worden. De New International Version heeft οἰκουμένη zelfs met ‘Roman world’ vertaald. Dit is inderdaad de vertaling zoals je deze in woordenboeken aantreft, maar is dat ook wat Lukas wilde zeggen? De Grieken gebruikten het woord soms om Griekenland aan te duiden in tegenstelling tot de ‘barbaarse’ landen. De Romeinen gebruikten het om er het Romeinse Rijk mee aan te duiden. Het lijkt erop dat Lukas er soms het Joodse land mee aanduidde. Zo schrijft hij in Handelingen 11:28-29:

En een van hen, van wie de naam Agabus was, stond op en gaf door de Geest te kennen dat er een grote hongersnood zou zijn over heel de wereld, die ook gekomen is onder keizer Claudius. En de discipelen besloten, ieder naar vermogen, iets te sturen ten dienste van de broeders die in Judea woonden[.]

Agabus voorspelt een hongersnood over de οἰκουμένη, wat de discipelen als reden zien om gaven te sturen naar de christenen in Judea. Blijkbaar vatten zij het woord οἰκουμένη op als ‘Judea’. Josephus vermeldt in hoofdstuk 20.2.5 van de Joodse Oudheden dat er tijdens Claudius een grote hongersnood in Jeruzalem was. Blijkbaar bedoelde Lukas met οἰκουμένη dus alleen Judea. Het is heel goed mogelijk dat hij dit in Lukas 2:1 ook bedoelde.

De uitgestelde volkstelling

Het eerste probleem is dus niet onoverkomelijk, maar hoe zit het met de volkstelling in een vazalstaat en de tijdkloof tussen Herodes en Quirinius? Beide problemen kunnen verklaard worden als we nog eens goed naar de geschiedenis kijken. Toen Archelaüs in 6 n.Chr. uit zijn ambt werd ontheven, vond direct daarna de eerste belastingheffing in Judea plaats. Een vergelijkbare situatie vond echter veertien jaar eerder ook al plaats: Herodes de Grote viel uit de gunst van Augustus en diens vazalkoningschap werd hem afgenomen: voortaan was hij de onderdaan van Augustus. Het is waarschijnlijk dat Augustus ook toen een volkstelling heeft afgekondigd om de financiën van Judea te kunnen regelen.

Echter, volkstellingen duurden lang – sommige duurden zelfs veertig jaar! Voordat de volkstelling volledig was uitgevoerd, was Herodes alweer in de gunst van Augustus gekomen. De eerste volkstelling die plaatsvond toen het gebied onderdeel werd van een Romeinse provincie, vond dus pas onder Quirinius plaats. Er moet dus een tijdkloof tussen vers 1 en 2 van Lukas 2 gelezen worden:

En het geschiedde in die dagen dat er een gebod uitging van keizer Augustus dat heel de wereld ingeschreven moest worden. (Het bevel.)

Deze eerste inschrijving vond plaats toen Cyrenius over Syrië stadhouder was. (De uitvoering, 14 jaar later.)

Wat Lukas hier zegt zou dus gelezen kunnen worden als: “Augustus gaf de opdracht tot een inschrijving. Deze inschrijving is uiteindelijk [jaren later] uitgevoerd onder Cyrenius.”

Het is niet vergezocht om op deze manier een tijdsgat tussen Lukas 2:1 en 2:2 te lezen. Iets soortgelijks doet Lukas in het hierboven geciteerde Handelingen 11:28-29 namelijk ook al. Daar zegt hij feitelijk: “Agabus voorspelde een hongersnood. Deze hongersnood is er uiteindelijk ook gekomen onder keizer Claudius.” Grammaticaal lijken deze twee passages sterk op elkaar.

Conclusie

Dit artikel presenteert een mogelijk scenario dat de problemen rond Lukas 2:1-2 zou oplossen: Herodes valt uit de gunst van Augustus, die daarop een volkstelling afkondigt. Echter, voordat deze volkstelling plaatsvindt, is Herodes weer terug in de gunst van Augustus. Pas veertien jaar later, onder Quirinius, wordt de volkstelling volbracht. Dit is een mogelijk scenario dat is afgeleid uit de gegevens die we bij de geschiedschrijver Josephus aantreffen. Josephus vertelt niet genoeg om zeker te weten dat het echt zo gebeurd is, maar het laat in ieder geval zien dat de bezwaren tegen de betrouwbaarheid van Lukas helemaal niet zo sterk zijn als vaak wordt gedacht.

De vernietiging van de tempel en de datering van het NT

Het jaar 70 n.Chr. moet voor de orthodoxe jood één van de ergste rampjaren uit de geschiedenis zijn. Het is het jaar waarin de tempel in Jeruzalem door de Romeinen verwoest werd. Ook voor de eerste christenen, waaronder veel Joden waren, moet de gebeurtenis grote impact gehad hebben. Het is een gebeurtenis waar je haast niet omheen kon als Joodse geschiedschrijver. De Joodse historicus Flavius Josephus schrijft uitvoerig over de Joodse opstand tegen de Romeinen, die uiteindelijk uitmondde in de inname van Jeruzalem en de vernietiging van de tempel. In de vroegchristelijke Brief van Barnabas wordt ook over de verwoesting gesproken (hoofdstuk 16), alsook in de joods-christelijk-hellenistische Sibillijnse Orakels.

De verovering van Jeruzalem was zo’n grote gebeurtenis, dat je zou verwachten dat ook de Nieuwtestamentische boeken deze gebeurtenis zouden vermelden, indien deze al plaats zou hebben gevonden. Dit is in potentie dus een mooie manier om de Nieuwtestamentische boeken te dateren.

Dus hoe zit het? Kunnen we uit de Nieuwtestamentische boeken afleiden dat de verwoesting van de tempel reeds had plaatsgevonden? Die vraag wordt op twee manieren beantwoord.

Critici: JA, want het het NT vermeldt de verwoesting van de tempel

De meeste niet-conservatieve Bijbelwetenschappers zullen wijzen op het feit dat de Heere Jezus een profetie heeft uitgesproken over de verwoesting van de tempel. Deze profetie komt voor in Mattheüs en Markus en in uitgebreidere versie ook in Lukas. Allereerst zal de versie in Markus en Mattheüs besproken worden. Markus schrijft het volgende (belangrijke variaties tussen Markus en Mattheüs staan tussen haken, waarbij de versie van Markus paars is en die van Mattheüs groen):

Markus 13:1-8, 14-26 (cf. Mattheüs 24:1-8, 15-30)
1 En toen Hij uit de tempel ging, zei een van Zijn discipelen tegen Hem: Meester, kijk, wat een stenen en wat een gebouwen!
2 En Jezus antwoordde hem: Ziet u deze grote gebouwen? Ziet u dit alles? [Voorwaar, Ik zeg u:] Er zal niet één steen op de andere steen gelaten worden die niet afgebroken zal worden.
3 En toen Hij op de Olijfberg zat, tegenover de tempel, vroegen Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas Hem toen zij alleen waren:
4 Zeg ons, wanneer zullen deze dingen gebeuren? En wat is het teken [wanneer al deze dingen in vervulling zullen gaan? / van Uw komst en van de voleinding van de wereld?]
5 En Jezus antwoordde hun en begon te zeggen: Pas op dat niemand u misleidt.
6 Want velen zullen komen onder Mijn Naam en zeggen: Ik ben de Christus; en zij zullen velen misleiden.
7 En wanneer u hoort van oorlogen en geruchten van oorlogen, word dan niet verschrikt, want dit moet gebeuren, maar het is nog niet het einde.
8 Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen aardbevingen zijn in verscheidene plaatsen en er zullen hongersnoden zijn en [onlusten / besmettelijke ziekten en aardbevingen in verscheidene plaatsen]. Deze dingen zijn het begin van de weeën.
[…]
14 Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarover door de profeet Daniël gesproken is, zult zien staan [waar het niet behoort / op de heilige plaats] – laat hij die het leest, daarop letten! – laten dan zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen.
15 En wie op het dak is, moet niet naar beneden gaan in het huis om iets uit zijn huis te halen,
16 en wie op de akker is, moet niet terugkeren naar wat hij achterliet, om zijn bovenkleed te halen.
17 Maar wee de zwangere en de zogende vrouwen in die dagen!
18 En bid dat uw vlucht niet zal plaatsvinden in de winter [en ook niet op een sabbat].
19 Want die dagen zullen dagen van zo’n verdrukking zijn als er niet geweest is vanaf het begin van de schepping, die God geschapen heeft, tot nu toe, en er ook nooit meer zijn zal.
20 En als de Heere die dagen niet ingekort had, zou er geen vlees behouden worden; maar ter wille van de uitverkorenen, die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij die dagen ingekort.
21 En als dan iemand tegen u zal zeggen: Zie, hier is de Christus; of zie, Hij is daar; geloof het niet.
22 Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen tekenen en wonderen doen om – als het mogelijk zou zijn – ook de uitverkorenen te misleiden.
23 Maar past u op; zie, Ik heb u alles van tevoren gezegd!
[Als men dan tegen u zal zeggen: Zie, Hij is in de woestijn; ga er niet opuit; zie, Hij is in de binnenkamers, geloof het niet, want zoals de bliksem vanuit het oosten komt en zichtbaar is tot in het westen, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn. Want waar het dode lichaam is, daar zullen de gieren zich verzamelen.]
24 Maar in die dagen, [meteen] na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden en de maan zal zijn schijnsel niet geven.
25 En de sterren van de hemel zullen daaruit vallen en de krachten in de hemelen zullen heftig bewogen worden.
26 En dan zullen ze de Zoon des mensen zien komen in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid.

Volgens de meeste Bijbelwetenschappers is het evangelie van Markus als eerste geschreven en hebben Mattheüs en Lukas gebruik gemaakt van Markus. Het voert te ver om deze hypothese hier uitgebreid te bespreken, maar ik zal er in dit artikel van uitgaan dat dit juist is.

Jezus spreekt hier een profetie uit over wat er gaat gebeuren met Jeruzalem. Hij voorspelt dat geen steen van de tempel op de andere zal blijven staan en spreekt over ‘gruwel van de verwoesting’ die in de tempel staat. Veel kritische Bijbelwetenschappers menen dat deze profetie verzonnen is na de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.Chr. Daaruit volgt dat zowel Markus als Mattheüs (en ook Lukas, zoals we zullen zien) geschreven zijn na 70 n.Chr. Een andere optie is echter dat we hier te maken hebben met een authentieke profetie: een profetie die uitgesproken is voordat de voorspelde gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Ik zal vier redenen geven waarom ik denk dat we te maken hebben met een authentieke profetie en niet met een achteraf verzonnen profetie.

1. Jezus’ identiteit

Je zult uit moeten sluiten dat Jezus was Wie Hij zei dat Hij was om een authentieke profetie uit te sluiten. Jezus vertelde van Zichzelf dat Hij de Zoon van God was. Hij zei dat niet alleen maar, maar ondersteunde dat ook door wonderen te doen. Het grootste wonder was Zijn opstanding uit de dood, een gebeurtenis waar je op basis van goede argumenten van uit kunt gaan dat die ook echt is gebeurd.1 Als Jezus daadwerkelijk de Zoon van God was, dan is het alleen maar aannemelijk dat Hij authentieke profetieën kon uitspreken.

2. De stijl van het gedeelte wijst op authenticiteit

Als je Markus 13 leest, dan zal het je opvallen dat het hoofdstuk twee vreemde wendingen bevat. Het begin van het hoofdstuk speelt zich af rond de tempel van Jeruzalem. In vers 3 bevinden Jezus en Zijn discipelen zich plotseling op de Olijfberg, waar de discipelen aan Jezus vragen wanneer ‘deze dingen’ (de verwoesting van de tempel?) zullen gebeuren. In plaats van antwoord te geven, zegt Jezus dat ze op moeten passen dat niemand hen misleidt. De woorden van Jezus die daarop volgen, bestaan uit afzonderlijke gedeeltes die redelijk onafhankelijk van elkaar zijn en niet vloeiend in elkaar overlopen. Zoals hierboven te zien is, heeft Mattheüs ook nog een eigen gedeelte toegevoegd. Het is daarom waarschijnlijk dat we hier te maken hebben met meerdere toespraken van Jezus die samen zijn gevoegd.2 Als dit een verzonnen profetie is, dan is de vreemde stijl van het gedeelte onverklaarbaar.

3. De bewoording van de profetie is niet beïnvloed door de gebeurtenissen

Jezus raadt Zijn volgelingen in Judea aan om te vluchten naar de bergen, wanneer ze de ‘gruwel van de verwoesting’ op de heilige plaats zien staan. Dat laatste zou kunnen slaan op de Romeinen die het tempelterrein betraden. Voor de christenen in Judea was het echter onmogelijk om op dat moment naar de bergen te vluchten, omdat het Judese heuvelland door de Romeinen bezet was. Bovendien weten we van de kerkhistoricus Eusebius dat de christenen al zeer vroeg tijdens de Joodse Opstand, rond 66 n.Chr., naar de stad Pella in het Overjordaanse vluchtten:

De Jeruzalemse gemeente verliet op een gegeven ogenblik de stad; men deed dat op aanraden van enige mensen, die algemeen als godsvruchtig bekend waren en een goddelijke openbaring hadden ontvangen; zo kon de hele gemeente tijdig voor het uitbreken van de oorlog vertrekken; men vestigde zich in Pella, een stad in Perea.3

Pella ligt beneden de zeespiegel, dus een vlucht naar het gebergte van Judea is dit absoluut niet te noemen. Indien de profetie verzonnen is nadat de gebeurtenissen zich al voltrokken hadden, zou de waarschuwing van Jezus nooit zo geformuleerd zijn.

In het Bijbelgedeelte is ook te zien dat Mattheüs aan het eind het woord ‘meteen’ toevoegt als het gaat over de wederkomst. Voor ‘meteen’ gebruikt Mattheüs het Griekse woord εὐθέως. Dat is interessant, want εὐθέως is helemaal geen gebruikelijk woord voor Mattheüs, eerder voor Markus. Sterker nog, dit is de enige keer dat Mattheüs het woord εὐθέως gebruikt waar Markus het niet gebruikt! De lezer krijgt hierdoor de indruk dat de wederkomst direct volgt op de verwoesting van Jeruzalem; iets wat nooit verzonnen zou zijn in een periode van jaren na de verwoesting.

4. De profetie is vaag verwoord

Het is maar dat wij weten wat er daadwerkelijk gebeurd is in 70 n.Chr., want anders hadden wij nauwelijks uit kunnen maken wat Jezus precies bedoelt. De profetie bestaat in feite uit twee zinnetjes, namelijk dat geen steen van de tempel op de ander zal staan en dat de ‘gruwel van de verwoesting’ op de heilige plaats zal staan. Een profetie die achteraf verzonnen is, zou een heel stuk specifieker kunnen zijn. Als je de zinsneden uit de profetie nauwkeurig bestudeert, zie je dat Jezus gebruikmaakt van verzen uit het apocriefe boek 1 Makkabeeën:

1 Makkabeeën 1:58: “En de vijftiende dag van de maand Chasleu in het honderdenvijfenveertigste jaar, bouwden zij een gruwel der verwoesting op het reukaltaar, en rondom in alle steden van Juda bouwden zij altaren.
1 Makkabeeën 2:7: “En hij en zijn zonen vloden naar de bergen, en lieten al wat zij hadden in de stad.

De profetie van Jezus is dus geformuleerd in algemene bewoordingen en de woordkeuze is niet beïnvloed door de gebeurtenissen van 70 n.Chr., maar door de gebeurtenissen uit de tijd van de Makkabeeën.

De versie van Lukas

Tot zover de profetie zoals deze beschreven staat in Mattheüs en Markus. De vergelijkbare profetie in Lukas bevat echter enkele opmerkelijke toevoegingen; bovendien profeteert Jezus in Lukas twee keer over de verwoesting van de tempel:

Lukas 19:41-44
41 En toen Hij dichtbij kwam en de stad zag, weende Hij over haar.
42 Hij zei: Och, dat u ook nog op deze uw dag zou onderkennen wat tot uw vrede dient! Nu echter is het verborgen voor uw ogen.
43 Want er zullen dagen over u komen dat uw vijanden een wal rondom u zullen opwerpen, u zullen omsingelen en u van alle kanten in het nauw zullen brengen.
44 En zij zullen u met de grond gelijkmaken en uw kinderen in u verpletteren. Ook zullen zij in u geen steen op de andere steen laten, omdat u het tijdstip waarop er naar u omgezien werd, niet hebt onderkend.

Lukas 21:5-6, 20-24
5 En toen sommigen over de tempel zeiden dat hij met prachtige stenen en aan God gewijde geschenken versierd was, zei Hij:
6 Wat betreft deze dingen waarnaar u kijkt: Er zullen dagen komen waarin niet één steen op de andere steen gelaten zal worden die niet afgebroken zal worden.
[…]
20 Wanneer u zult zien dat Jeruzalem door legers omringd wordt, weet dan dat zijn verwoesting nabij is.
21 Laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen en wie in het midden van Jeruzalem zijn, daaruit wegtrekken en wie op de velden zijn, er niet in gaan.
22 Want dit zijn dagen van wraak, opdat al wat geschreven staat, vervuld wordt.
23 Maar wee de zwangeren en de zogenden in die dagen, want er zal grote nood zijn in het land en toorn over dit volk.
24 En zij zullen vallen door de scherpte van het zwaard en in gevangenschap weggevoerd worden onder alle heidenen. En Jeruzalem zal door de heidenen vertrapt worden, totdat de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn.

Sceptici die stellen dat deze profetieën na 70 n.Chr. zijn verzonnen, staan hier een stuk sterker. Immers, zelfs als het mogelijk is dat Jezus een profetie kon uitspreken, dan kun je daarmee nog niet verklaren dat Lukas die profetie in Lukas 21 heeft gespecificeerd ten opzichte van Markus. En welke andere reden om een profetie te specificeren is er behalve dat de profetie in Lukas’ tijd al in vervulling was gegaan? Het lijkt dus lastig om onder de conclusie uit te komen dat Lukas na 70 n.Chr. schreef. Maar als je de tekst zorgvuldig bestudeert, blijkt die conclusie helemaal niet onontkoombaar te zijn.

1. De specificaties in Lukas worden al geïmpliceerd in Markus

Om Lukas heel kort samen te vatten, voorspelt Jezus dat Jeruzalem belegerd en verwoest zal worden, waarna de inwoners weggevoerd zullen worden. Nu wordt dat eerste al geïmpliceerd door Markus, als hij schrijft dat Jezus voorspelt dat geen steen van de tempel op de andere zal blijven staan. Als de tempel wordt verwoest, kan dat niet anders dan een verovering van Jeruzalem betekenen. Het deporteren van de bevolking was een veelvoorkomende gewoonte in de Oudheid. De Assyriërs en Babyloniërs hadden dat al meerdere keren in Israël gedaan en ook de Romeinen maakten gebruik van deze methode.4,5 De aanpassingen die Lukas heeft gemaakt t.o.v. Markus, vereisen dus geen kennis van de gebeurtenissen.

Bovendien worden er geen specifieke kenmerken van de verovering van Jeruzalem in 70 n.Chr. in de toevoegingen aangetroffen. De opvallende verdeeldheid van de verdedigers, de vergaande hongersnood en pest die zelfs leidden tot kannibalisme en de grote brand die een groot deel van de stad vernietigde worden niet genoemd. Kortom, de profetie is nog altijd in algemene bewoordingen van een verovering en niet beïnvloed door de gebeurtenissen van 70 n.Chr.

2. De passage in Lukas is geen aangepaste versie van die in Markus

De theorie dat Lukas na 70 n.Chr. de originele versie van de profetie (te vinden in Markus) heeft aangepast om beter bij de gebeurtenissen aan te sluiten, rust op het idee dat de betreffende passages ook echt zijn gebaseerd op Markus 13. Drie geleerden hebben echter betoogd dat dit niet het geval is. De theoloog en Grieksgeleerde John Wenham kwam na nauwkeurige vergelijking van de Griekse tekst tot de conclusie dat Lukas 21 en Markus 13 wel een gemeenschappelijke oorsprong hebben, maar niet literair van elkaar afhankelijk zijn.6 De theoloog David Wenham gelooft dat de oorspronkelijke toespraak van Jezus de gemeenschappelijke bron is die verschillend overgeleverd is in Mattheüs, Markus en Lukas. De evangeliën putten alle drie uit die bron en zijn onafhankelijk van elkaar.7

Het interessantst is een zeventig jaar oud artikel van de theoloog Charles Dodd.8 Hij wijst erop dat Lukas 21:20-24 maar twee zinsneden bevat die ook in Markus voorkomen: “Laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen” en “Maar wee de zwangeren en de zogenden in die dagen.” Wanneer je deze zinsneden weglaat, krijg je een gedeelte met een goed ritme en parallellisme zoals gebruikelijk in Hebreeuwse poëzie. Bestudering van het Grieks laat ook duidelijk zien dat de twee zinsneden uit Markus niet in de oorspronkelijke tekst thuishoorden:

Lukas 21: 20-21
Οταν δὲ ἴδητε κυκλουμένην ὑπὸ στρατοπέδων Ἰερουσαλήμ, τότε γνῶτε ὅτι ἤγγικεν ἡ ἐρήμωσις αὐτῆς. τότε οἱ ἐν τῇ Ἰουδαίᾳ φευγέτωσαν εἰς τὰ ὄρη, καὶ οἱ ἐν μέσῳ αὐτῆς ἐκχωρείτωσαν, καὶ οἱ ἐν ταῖς χώραις μὴ εἰσερχέσθωσαν εἰς αὐτήν

Het onderstreepte gedeelte is woordelijk gelijk aan Markus 13:14b. Nu staat er in dat gedeelte het vrouwelijke woord Ἰουδαίᾳ (Judea). In de huidige vorm zouden het vetgedrukte αὐτῆς en αὐτήν (ook allebei vrouwelijke woorden) daarom terugslaan op Judea. Uit de tekst blijkt echter dat deze twee woorden terugslaan op Ἰερουσαλήμ (Jeruzalem). De Herziene Statenvertaling heeft daarom ook ‘Jeruzalem’ toegevoegd in de vertaling. Hieruit blijkt duidelijk dat de zinsnede uit Markus oorspronkelijk niet thuishoorde in de tekst van Lukas. Daarmee zijn de rollen omgedraaid: Lukas heeft geen specificaties aan het gedeelte van Markus toegevoegd, maar enkele zinsneden uit Markus aan een eigen, onafhankelijke passage toegevoegd.

3. Het taalgebruik van de beide passages in Lukas pleit voor authenticiteit

Dodd noemde het taalgebruik van de beide passages in Lukas 19 en 21 Semitisch, vergeleken met het mooie Hellenistische Griekse dat Lukas normaal gesproken hanteert.9 Ook het woordgebruik van Lukas is opvallend. In de beide passages gebruikt hij maar liefst negen woorden die hij nauwelijks tot nooit gebruikt.10 Deze twee feiten maken het waarschijnlijk dat Lukas deze passages niet zelf verzonnen heeft, maar uit een oudere bron geput heeft. Ook dit pleit weer voor een authentieke profetie.

4. De evangelisten claimen niet dat de profetie vervuld is

Als de evangeliën na 70 n.Chr. zijn geschreven en de evangelisten de verwoesting van de tempel beschouwden als vervulling van deze profetie, zouden de evangelisten niet verzwegen hebben dat Jezus’ woorden inderdaad waren vervuld. Dit zien we bijvoorbeeld duidelijk bij Lukas (Handelingen 11:28), maar ook de andere evangelisten grijpen vooruit op de gebeurtenissen (bijv. Mattheüs 10:4).

Dit alles tezamen heeft het argument dat de profetieën over de verwoesting van de tempel achteraf moeten zijn verzonnen sterk verzwakt. Het is aannemelijker dat we te maken hebben met authentieke profetieën dan te geloven dat deze profetieën bedacht zijn na de val van Jeruzalem. Dat betekent ook dat de profetieën niet meer gebruikt kunnen worden om de drie evangeliën na het jaar 70 n.Chr. te dateren, waarmee het belangrijkste argument voor die late datering wegvalt.

NEE, want de schrijvers van het NT wisten niets over 70 n.Chr.

Nergens in het Nieuwe Testament wordt over de verwoesting van Jeruzalem gesproken als een gebeurtenis die reeds geweest is. Dat is opvallend, want Jeruzalem is in het Nieuwe Testament niet onbesproken. Het woord ‘Jeruzalem’ komt in tien nieuwtestamentische boeken voor, alsook het woord ‘tempel’. In de evangeliën en Handelingen spelen veel gebeurtenissen zich af in Jeruzalem en de tempel, maar enige aanwijzing dat al die gebeurtenissen zich afspelen op plaatsen die op het moment van schrijven intussen verwoest zijn, is er niet. Het boek Hebreeën behandelt uitgebreid alle tempelrituelen, maar ook hier is geen spoor te ontdekken van dat de schrijver wist dat dit allemaal verleden tijd was. Het boek Openbaring is een ideaal boek voor een verwijzing naar 70 n.Chr., maar ook daar is een zoektocht naar die verwijzing vruchteloos. Of neem de de Tweede Brief aan de Thessalonicenzen:

2 Thessalonicenzen 2:3-4
3 Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden. Want die dag komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, geopenbaard is,
4 de tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet.

Het is onwaarschijnlijk dat Paulus dit allemaal allegorisch bedoelde, aangezien hij het over historische gebeurtenissen heeft. Ook hier is geen aanwijzing te vinden dat de schrijver bekend was met de verwoesting van de tempel.

In een vorig artikel schreef ik:

Als een zeer belangrijke gebeurtenis niet vermeld wordt, kan dat betekenen dat de tekst is geschreven vóórdat die gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Dit gaat natuurlijk alleen op wanneer we redelijkerwijs zouden mogen verwachten dat de gebeurtenis in kwestie zou worden vermeld, bijvoorbeeld omdat het past in de thematiek van het boek.
(…)
Toch moeten we voorzichtig zijn met deze wijze van dateren. Sommige auteurs wilden een bepaalde boodschap aan hun boek meegeven, zodat ze bepaalde gebeurtenissen bewust niet noemden.

De vraag is dus: is het niet vermelden van de verwoesting van de tempel een aanwijzing dat je kunt gebruiken om Bijbelboeken te dateren? Ik denk het wel. De verwoesting van de tempel en Jeruzalem was voor de Joden de meest indrukwekkende gebeurtenis uit de eerste eeuw. Het verstoorde hun godsdienstige leven, nationale identiteit en hun economie. Het was een belangrijk punt van verwijdering tussen joden en christenen. De verwoesting van de tempel is dus bij uitstek een gebeurtenis waarvan je zou verwachten dat die door de nieuwtestamentische schrijvers zou worden vermeld indien ze reeds plaatsgevonden had. Deze vermelding ontbreekt echter, dus is het aannemelijk dat het grootste deel van het Nieuwe Testament vóór het jaar 70 n.Chr. is geschreven.

Voetnoten en referenties

1. Bijv. N.T. Wright, The resurrection of the Son of God, Fortress Press, Mineapolis, 2003. Terug naar tekst.
2. John Robinson, Redating the New Testament, SCM Press LTD, Londen, 1976, p. 15. Terug naar tekst.
3. Eusebius, Kerkgeschiedenis, Boekencentrum, Zoetermeer, 2000, 3.5.3 (p. 119). Terug naar tekst.
4. Francisco Polo, “Deportation of indigenous population as a strategy for Roman dominion in Hispania.” Limes XX XX Congreso Internacional de Estudios sobre la Frontera Romana = XXth International Congress of Roman Frontier Studies: León (España), septiembre 2006: Congreso Internacional de Estudios sobre la Frontera Romana 20º 2006 León. 2009. Terug naar tekst.
5. Jan Willem Drijvers, “Rome and the Sasanid Empire: Confrontation and coexistence.” A Companion to Late Antiquity. Wiley-Blackwell Oxford, 2009, p. 450. Terug naar tekst.
6. John Wenham, Redating Matthew, Mark and Luke: a fresh assault on the synoptic problem, Hodder & Stoughton, 1991, Chapter Two. Terug naar tekst.
7. Craig Blomberg, Jesus and the Gospels, B&H Publishing Group, 2009, p. 171. Gebaseerd op: David Wenham, ed. Gospel Perspectives, Volume 4: The Rediscovery of Jesus’ Eschatological Discourse, Vol. 4, Wipf and Stock Publishers, 2003. Terug naar tekst.
8. Charles Dodd, “The fall of Jerusalem and the Abomination of Desolation”, Journal of Roman Studies 37.1-2 (1947): 47-54. Terug naar tekst.
9. Zie voetnoot 8. Terug naar tekst.
10. Het betreft deze woorden in Lukas 19:
χάραξ (wal)
περικυκλόω (omsingelen)
πάντοθεν (van alle kanten)
ἐδαφίζω (verpletteren)
ἐπισκοπή (het tijdstip waarop er omgezien werd)
En de volgende woorden in Lukas 21:
κυκλόω (omringd)
στρατόπεδον (legers)
αἰχμαλωτίζω (in gevangenschap weggevoerd worden)
πατέω (vertrapt) Terug naar tekst.

Staan er kopieerfouten in de Bijbel?

Ja. De manuscripten (handschriften) waarop onze Bijbelvertalingen zijn gebaseerd, wijken op veel punten af van elkaar en van de oorspronkelijke geschriften. Van geen enkel Bijbelboek is het origineel (de ‘autograaf’) bewaard gebleven. We moeten het doen met kopieën van kopieën. En tijdens dat kopieerproces zijn er helaas fouten ingeslopen.

Is dat erg?

Een beetje. Maar het is zeker niet onoverkomelijk. De consequentie is dat we van bepaalde Bijbelverzen niet precies weten wat er in het origineel gestaan heeft. Gelukkig gaat het meestal om kleine afwijkingen. En het belangrijkste is dit: geen enkele cruciale leerstelling is gebaseerd op onjuist gekopieerde teksten.

Op losse schroeven?

Misschien zijn sommige christenen een beetje huiverig om toe te geven dat er fouten in de Bijbel staan. Komt alles zo niet op losse schroeven te staan? Betekent dit dat ik ‘mijn Bijbel’ niet meer kan vertrouwen?

Om te beginnen is het belangrijk om onderscheid te maken tussen de Hebreeuwse en Griekse handschriften en de Nederlandse vertalingen van die handschriften. Als we het hebben over kopieerfouten, dan gaat het om fouten in de handschriften. We weten dat er kopieerfouten gemaakt zijn, omdat verschillende manuscripten van elkaar verschillen. Dit is niet iets wat ter discussie staat. Er zijn nu eenmaal verschillen tussen manuscripten.

Vertalers houden hier natuurlijk rekening mee. Op punten waar handschriften significant van elkaar verschillen, proberen vertalers uit te vinden wat de originele lezing was. En die nemen ze dan op in hun vertaling.

Helaas is het niet altijd mogelijk om te achterhalen wat er in de autograaf stond. En het is onwaarschijnlijk dat vertalers altijd de juiste keuzes maken. Nog vervelender zijn kopieerfouten waarvan we niet weten dat het kopieerfouten zijn, omdat ze in alle manuscripten staan. Al met al lijkt het er dus op dat hedendaagse vertalingen niet perfect zijn.

Toch hoeven we ons daar niet al te druk over te maken. Het gaat namelijk om kleine verschillen. Neem de volgende tekst:

Handelingen 5:34 (HSV)
Maar er stond iemand op in de Raad, een Farizeeër van wie de naam Gamaliël was, een leraar van de wet, die in hoge achting stond bij heel het volk. Hij gaf opdracht dat men de apostelen even buiten zou doen staan.

Sommige vertalingen hebben “de apostelen” hier vervangen door “de mensen” (NBG ’51) of “de mannen” (Willibrordvertaling). Op dit punt verschillen de manuscripten en hier hebben verschillende vertalers andere keuzes gemaakt. Je kunt erover discussiëren welke keuze de beste is, maar hoeveel maakt het eigenlijk uit? Geen enkele christelijke leerstelling valt of staat hiermee. Dit is typerend voor de overgrote meerderheid van manuscriptvarianten.

Wat betreft kopieerfouten die in alle handschriften terecht zijn gekomen (waarvan we dus niet weten dat het fouten zijn), het is redelijk om aan te nemen dat daarvoor hetzelfde geldt als voor kopieerfouten die we wel kunnen identificeren. Namelijk dat ze geen invloed hebben op enig christelijk doctrine.

De goddelijke inspiratie van de Bijbel

Al eeuwenlang geloven christenen dat het Oude en Nieuwe Testament door God geïnspireerd zijn, net zoals Jezus en de apostelen dat geloofden over het Oude Testament. God is feilloos, dus de door Hem geïnspireerde boeken kunnen geen fouten bevatten.

Maar dat de oorspronkelijke geschriften foutloos waren, wil nog niet zeggen dat voor de kopieën hetzelfde geldt. Dit inzicht is opgenomen in de “Chicagoverklaring over de Onfeilbaarheid van de Bijbel”, die representatief is voor hoe veel Bijbelvaste christenen ertegenaan kijken (artikel X):

Wij bevestigen dat inspiratie strikt genomen alleen geldt voor de autograaf van de Schrift, die door Gods voorzienigheid met grote juistheid kan worden vastgesteld op grond van de beschikbare manuscripten. Wij bevestigen verder dat kopieën en vertalingen van de Schrift het Woord van God zijn in zoverre zij getrouw het origineel weergeven.
Wij ontkennen dat enig essentieel element van het christelijke geloof aangetast is door de afwezigheid van de autografen. Wij ontkennen verder dat deze afwezigheid de stelling van de onfeilbaarheid van de Bijbel ongeldig of irrelevant maakt.

Welke wijzigingen zijn er in de tekst aangebracht?

Sinds de autografen geschreven zijn, zijn er in de kopieën verschillende veranderingen aangebracht. Sommige van die veranderingen waren opzettelijk, andere onopzettelijk. Dit zijn een aantal van de wijzigingen:

  • Een groot deel van het Oude Testament is zó oud, dat het moet zijn geschreven in het paleo-Hebreeuwse alfabet, of zelfs in een nog ouder schrift. Maar vertalingen naar moderne talen zijn grotendeels gebaseerd op de Masoretische tekst, dat geschreven is in een veel modernere vorm van het Hebreeuws. Ooit moeten kopiisten de tekst dus hebben geüpdatet naar een moderner alfabet. In de Masoretische tekst zijn ook leestekens toegevoegd die als klinkers fungeren, terwijl de originele tekst alleen medeklinkers bevatte.
  • Het is goed mogelijk dat kopiisten achterhaalde vocabulaire of plaatsnamen updatete om de tekst voor eigentijdse lezers duidelijker te maken. Dit soort wijzigingen zijn zeer redelijk en leveren geen problemen op.
  • Dan zijn er simpelweg de onopzettelijke kopieerfoutjes: een letter wordt verkeerd gelezen, een woordje wordt overgeslagen of op de verkeerde plaats ingevoegd, et cetera. Deze kopieerfouten vormen het onderwerp van dit artikel.
  • Ten slotte zijn er ook nog de meer sinistere wijzigingen: opzettelijke veranderingen in de tekst met het doel om bepaalde theologische standpunten van een Bijbelse onderbouwing te voorzien. Een mogelijk voorbeeld is 1 Joh. 5:7, waar een zeer duidelijke bewijstekst voor de Drie-Eenheid is ingevoegd. Gelukkig zijn dit soort wijzigingen zeldzaam. Over het algemeen waren de kopiisten zeer getrouw aan hun bronteksten. (Wat betreft de Drie-Eenheid, daar is afdoende onderbouwing voor in andere Bijbelpassages.)

Kon God niet voorkomen dat er fouten inslopen?

God had natuurlijk kunnen voorkomen dat er kopieerfouten werden gemaakt. Dan zouden we nog de volledig ongewijzigde, oorspronkelijke tekst hebben! Waarom heeft Hij dat niet gedaan?

Probeer je eens voor te stellen wat dat zou behelzen. Dan zou het duizenden jaren lang onmogelijk zijn geweest om de Bijbelse tekst op onjuiste wijze te kopiëren. Dat zou snel op gaan vallen, en zou gaan fungeren als een godsbewijs, als een continu herhaalbaar wonder! Het is duidelijk dat God niet op die manier werkt.

Of, als we het iets praktischer benaderen, had God er niet gewoon voor kunnen zorgen dat de autografen bewaard zouden blijven? Dat had Hij zeker kunnen doen, maar ook dit is niet zonder haken en ogen. Deze geschriften zouden de status verkrijgen van de meest waardevolle relikwieën ter wereld. De persoon of kerk die de autografen in bezit heeft, zou er zowel financieel als politiek zijn voordeel mee kunnen doen.

Dit gaat in tegen het decentrale karakter van het christendom. Het geloof van de oude Israëlieten was gecentraliseerd: eerst in de tabernakel, daarna de tempel. Daar bevonden zich de Ark van het Verbond en de Stenen Tafelen. Maar het christendom is gedecentraliseerd (zie bijv. Joh. 4:21), en sinds het overlijden van de apostelen is er geen centrale leider meer. (De pretenties van pausen en synodes ten spijt.) Althans, geen menselijke. Het is de heilige Geest die ons leidt, en ons ertoe dringt het evangelie te verspreiden. Deze verspreiding van het goede nieuws gaat van persoon tot persoon, en komt niet vanuit één centraal instituut.

Uiteindelijk kunnen we natuurlijk slechts gissen naar Gods redenen, maar feit is in elk geval dat de autografen niet bewaard zijn gebleven, en dat de overgebleven manuscripten in details van elkaar verschillen. Dat neemt niet weg dat God toch over zijn Woord gewaakt heeft, want de tekst is alsnog bijzonder goed bewaard gebleven. En nogmaals, er is geen reden om te vrezen dat er zaken van groot theologisch belang zijn gewijzigd.

Kopieerfouten en contradicties

Uit het gegeven dat er kopieerfouten hebben plaatsgevonden, volgt dat het mogelijk is dat er daardoor contradicties kunnen zijn ontstaan in de oorspronkelijk foutloze Bijbel. Met name in de boeken 1 & 2 Samuël, 1 & 2 Koningen en 1 & 2 Kronieken, die deels overlappende geschiedenissen beschrijven, komt dit naar voren.

Het is belangrijk om op te merken dat wanneer we een contradictie verklaren als het resultaat van een kopieerfout, dit niet zomaar een ad hoc gelegenheidsoplossing is. Kopieerfouten vinden nu eenmaal plaats. In praktisch alle gevallen waarin er binnen deze zes Bijbelboeken contradicties worden gevonden, gaat het om zeer kleine details. En heel vaak betreft het getallen.

En laten getallen nu net extra gevoelig zijn voor kopieerfouten. Een klein schrijffoutje, een verandering of het wegvallen van een klein aantal letters, kan de waarde van een getal reeds veranderen. Een typisch voorbeeld vinden we in deze teksten:

2 Koningen 24:8
Jojachin was achttien jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Nehusta, de dochter van Elnathan, uit Jeruzalem.

2 Kronieken 36:9
Jojachin was acht jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden en tien dagen in Jeruzalem. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE.

Acht jaar of achttien jaar… Bij dit soort ‘contradicties’ is het véél aannemelijker dat we te maken hebben met een kopieerfout, dan dat de oorspronkelijke schrijver van de autograaf zich hier vergiste.

Samenvatting

Christenen geloven dat de Bijbel het geïnspireerde Woord van God is. God is feilloos, dus zijn Woord ook. Dit geldt echter alleen voor de oorspronkelijke geschriften. Menselijk kopieerwerk is feilbaar, en dus zijn er kopieerfoutjes ingeslopen. De handschriften die wij van de Bijbelboeken hebben, verschillen dan ook van elkaar.

Dat is in principe niet iets waar we ons zorgen over hoeven te maken. De overgrote meerderheid van die kopieerfouten heeft geen effect op de betekenis. Waar de betekenis wel is aangetast, kunnen we zeer vaak een redelijke inschatting maken van wat de oorspronkelijke lezing was. En daar waar we dat niet kunnen, komt er door die onzekerheid nooit een belangrijk christelijk doctrine op de tocht te staan.

Kopieerfouten kunnen soms ook leiden tot tegenstrijdigheden tussen Bijbelpassages die dezelfde geschiedenis beschrijven. Het is dan ook niet onredelijk om bepaalde contradicties te verklaren als het resultaat van kopieerfouten. Vooral als de contradictie maar één woordje betreft, en al helemaal wanneer het gaat om getallen.

Is het Nieuwe Testament geschreven door ghostwriters?

In zijn boek Forgery and Counterforgery1 betoogt Bart Ehrman dat veel van de boeken van het Nieuwe Testament (NT) vervalsingen zijn. Dat wil zeggen: ze zijn niet geschreven door de auteurs aan wie ze traditioneel worden toegeschreven. Volgens Ehrman weten we van slechts zeven boeken in het NT de auteur, namelijk zeven van de brieven van Paulus.2 Alle andere boeken zijn ten onrechte aan bepaalde auteurs toegeschreven.

Ehrman onderbouwt die conclusie vooral met stilistische en taalkundige argumenten. Bijvoorbeeld: omdat Paulus’ brief aan de Galaten stilistisch verschilt van de brieven aan Timotheüs, kunnen de laatste niet door Paulus geschreven zijn. En aangezien 1 Petrus en 2 Petrus taalkundig van elkaar verschillen, kunnen ze niet door dezelfde auteur zijn geschreven.

1. De secretarishypothese

Een andere manier om die stilistische verschillen te verklaren is de secretarishypothese. Volgens deze hypothese is een aantal van de boeken van het Nieuwe Testament niet geschreven door de naam-auteur zelf, maar door een secretaris die op naam en onder het gezag van de ‘auteur’ schreef. Een soort ghostwriter dus. Dit verklaart de grote verschillen in stijl en woordgebruik tussen de verschillende brieven van Paulus, en tussen de twee brieven van Petrus. De pastorale brieven (1 & 2 Timotheüs en Titus) kunnen bijvoorbeeld geschreven zijn door Lukas in plaats van door Paulus zelf. En de Eerste Brief van Petrus kan door Markus zijn geschreven, in plaats van door Petrus. Dat doet niets af aan het apostolische gezag van die brieven, omdat ze nog steeds in opdracht van Paulus en Petrus zijn geschreven, die met de inhoud zullen hebben ingestemd.

Als veel van de nieuwtestamentische boeken inderdaad door ghostwriters zijn geschreven, wordt een groot deel van Ehrmans argumentatie tegen de traditionele auteurs buitenspel gezet.

Daar kan Bart Ehrman het natuurlijk niet bij laten. Hij valt deze theorie aan in zijn boek Forgery and Counterforgery. In viereneenhalve bladzijde probeert hij deze theorie te weerleggen.3 Zijn conclusie is dat de argumentatie voor de theorie te zwak is. Hij noemt de theorie “wishful thinking” en zegt over de bewijsvoering voor de secretarishypothese: “It is thin at best, almost nonexistent.” Laten we die argumentatie eens even bekijken, om te zien of Ehrman daarin gelijk heeft.

2. Een oud en wijdverbreid gebruik

Schrijven onder het gezag van een ander is een duizenden jaren oud gebruik. We vinden het al terug in inscripties van Babylonische en Egyptische koningen. Zij hebben uitgebreide verhalen nagelaten, vertelt vanuit het eerste persoonsperspectief van de koningen, die niet door deze koningen zelf zijn geschreven. Prof. dr. Karel van der Toorn, emeritus professor van antieke godsdiensten, schrijft hier het volgende over:

In de Oudheid konden auteurs ook anoniem blijven door onder een andere naam te schrijven. Als het werk in opdracht was geschreven, dan schreef men het vaak toe aan de opdrachtgever.4

Verder schrijft Van der Toorn: “Tot aan het einde van de Middeleeuwen maakten lezers zich meer druk om het gezag van een boek dan om de auteur.5 En dat gezag kon geleverd worden door de opdrachtgever (op wiens naam het werk kwam te staan), ook al had hij het niet zelf geschreven.

Vergelijk het met een toespraak van een koning of een president. Zo’n toespraak is zelden geschreven door het staatshoofd zelf. Meestal is het geschreven door een professionele speechschrijver. Toch doet dat niets af aan het gewicht van de boodschap. De inhoud van de toespraak wordt uiterst serieus genomen, omdat de koning ermee instemt. Zo keek men in het verleden ook aan tegen het gezag van geschriften. Het werk ontleende het gezag aan de naam-auteur, de opdrachtgever, niet aan de feitelijke schrijver.

Niet alleen koningen waren opdrachtgevers. Cicero vroeg Atticus meerdere keren om in zijn naam brieven te schrijven als hij daar zelf niet toe in staat was:

Pray send letters in my name to any to whom you think it right to do so. You know my intimates. If they remark on the absence of my signet or handwriting, pray tell them that I have avoided using either owing to the military pickets.6

Ook ongeletterde mensen zetten secretarissen in om zaken op schrift te stellen over bijvoorbeeld eigendommen, transacties, enzovoort.

3. Vergelijkingsmateriaal

Ehrman verwerpt al deze aanwijzingen echter, om twee redenen. Ten eerste omdat het niet laat zien dat brieven schrijven in andermans naam een veelvoorkomend en algemeen geaccepteerd gebruik was. En ten tweede omdat de brieven in het Nieuwe Testament aanzienlijk verschillen van de hierboven genoemde voorbeelden.

Nu is het probleem dat wij maar weinig vergelijkingsmateriaal hebben voor de boeken van het Nieuwe Testament. Brieven met een theologische inhoud die vergelijkbaar zijn met de nieuwtestamentische brieven vinden we alleen bij andere 1ste– en 2de-eeuwse christenen en bij gnostici. Ehrman zou kunnen redeneren dat we in die vergelijkbare geschriften weinig aanwijzingen vinden dat ze door ghostwriters zijn geschreven. Maar wat voor aanwijzingen verwacht dr. Ehrman daar precies aan te treffen? De activiteit van secretarissen zou gemakkelijk onzichtbaar kunnen zijn. In het geval van Cicero hebben we toevallig een bericht onderschept waarin hij iemand de opdracht geeft om in zijn naam brieven te schrijven, maar we kunnen redelijkerwijs niet verwachten altijd zoveel geluk te hebben. De correspondentie tussen auteur en secretaris zal immers vrijwel altijd mondeling zijn geweest.

4. Aanwijzingen in het Nieuwe Testament

In zijn boek richt dr. Ehrman zich alleen op het buiten-Bijbelse bewijsmateriaal voor het gebruik van ghostwriters als schrijvers van brieven. Hij richt zich echter niet op de nieuwtestamentische boeken zelf. Laten we eens kijken naar twee belangrijke apostelen: Petrus en Paulus.

4.1 Paulus

We weten dat Paulus een secretaris gebruikte (Rom. 16:22). In verschillende brieven voegt Paulus met eigen hand een notitie toe (1 Kor. 16:22-24, Gal. 6:11-18, Kol. 4:18, 2 Thes. 3:17-18). Dat zien we zo nu en dan ook terug bij Cicero. Deze notities bevatten vaak de kern van de brief of een persoonlijke noot van Paulus. Een voorbeeld vinden we aan het eind van Romeinen:

Romeinen 16
24 De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.
25 Hem nu Die in staat is u vast te doen staan, overeenkomstig mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, overeenkomstig de openbaring van het geheimenis dat door de tijden der eeuwen heen verzwegen was,
26 maar dat nu geopenbaard is en door de profetische Schriften onder alle heidenen bekendgemaakt is, overeenkomstig het bevel van de eeuwige God, om hen tot geloofsgehoorzaamheid te brengen,
27 aan Hem, de alleen wijze God, zij door Jezus Christus de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen.

In vers 24 lijkt de brief al te worden afgesloten door de secretaris. Maar dan volgt er nog een kort nawoord van de apostel zelf, die de brief vervolgens opnieuw afsluit in vers 27. Als de secretaris alleen maar mechanisch opschreef wat Paulus dicteerde, worden dit soort naschriften minder logisch dan onder de secretarishypothese. Dan zou alleen een handtekening al genoeg zijn. Maar Paulus wil ook nog iets inhoudelijks toevoegen. Dit wijst er dus op dat de secretaris veel meer vrijheid had in het opstellen van de brief.

Dit wordt bevestigd door het slot van 1 Thessalonicenzen. Gedurende de hele brief tot aan 1 Thessalonicenzen 5:25 verwijzen de auteurs (Paulus, Silvanus en Timotheüs) naar zichzelf in het meervoud, maar in 5:27 wordt het enkelvoud gebruikt. Dit wijst op een persoonlijke toevoeging van Paulus, die in tegenstelling tot de secretaris de eerste persoon enkelvoud gebruikte.

Het naschrift van 2 Korinthe is waarschijnlijk het gedeelte van hoofdstuk 10 tot 13 (dat begint met “Ik nu, Paulus zelf“), waarin in tegenstelling tot de rest van de brief plotseling de eerste persoon enkelvoud veelvuldig gebruikt wordt. Deze voorbeelden uit 1 Thessalonicenzen en 2 Korinthe wijzen erop dat de secretaris een eigen stijl had die verschilde met die van Paulus.

4.2 Petrus

De unanieme kerkelijke traditie wijst Markus aan als de secretaris van Petrus. Papias, een bisschop uit Hiërapolis die rond het jaar 100 n. Chr. schreef, is hier de oudste getuige van:

Johannes, de ouderling, zei ook dit nog: Markus was de tolk (ἑρμηνευτὴς) van Petrus; wat die zich herinnerde van wat de Heere gesproken of gedaan had, schreef Markus heel precies op, zij het niet in volgorde. Want Markus had onze Heere nooit gehoord; hij was Hem ook niet nagevolgd; maar, zoals ik al zei, Markus vergezelde later Petrus; die gaf onderwijs naargelang het nodig was, maar maakte geen samenhangend overzicht van de dingen die door en over de Heere verteld werden; Markus schreef zoals hij zich herinnerde; want hij gaf zorgvuldige aandacht aan één zaak, namelijk om niets van wat hij hoorde over te slaan, of iets dat onjuist was in zijn verslag op te nemen.7

Markus wordt hier de ἑρμηνευτὴς van Petrus genoemd. Dat betekent ‘uitlegger’ of ‘tolk’. Dat woord duidt erop dat Markus de vrijheid had om de boodschap van Petrus in eigen woorden weer te geven. Markus is dus de feitelijke schrijver van het evangelie, maar het evangelie draagt het gezag van de apostel Petrus.

Ook de 2de-eeuwse apologeet Justinus de Martelaar schrijft het evangelie van Markus toe aan Petrus:

And when it is said that He changed the name of one of the apostles to Peter; and when it is written in the memoirs of him that this so happened, as well as that He changed the names of other two brothers, the sons of Zebedee, to Boanerges, which means sons of thunder.8

Oftewel, volgens Justinus staat er in de memoires van Petrus geschreven dat de zonen van Zebedeüs (dat zijn Johannes en Jakobus) door Jezus ‘Boanerges’ genoemd worden. Dat gegeven vinden we alleen terug in het verslag van Markus (3:16-17)! Justinus verwijst dus naar het evangelie van Markus, als zijnde de memoires van Petrus.

We zien dus dat waarschijnlijk zowel Petrus als Markus als auteur van het evangelie van Markus werden gezien. Dit is een krachtig argument voor de secretarishypothese: Markus is de daadwerkelijke schrijver en op Petrus rust het gezag van het evangelie.

Maar het gaat nog verder: uit nauwkeurige vergelijking blijkt dat het evangelie van Markus en de Eerste Brief van Petrus overeenkomen wat betreft woordgebruik en het gebruik van het Oude Testament.9 De secretarishypothese kan ook dit heel goed verklaren: het was Markus die 1 Petrus schreef onder gezag van Petrus. Datzelfde geldt voor taalkundige overeenkomsten tussen het evangelie van Lukas, Handelingen en de pastorale brieven.10 Die werken tonen overeenkomsten. Dat zou erop kunnen wijzen dat Lukas de secretaris was die de pastorale brieven schreef.

5. Conclusie

In dit artikel heb ik de argumenten voor de secretarishypothese uiteengezet. Nu is het aan jou om te bepalen of dit bewijsmateriaal “thin at best, almost nonexistent” is. In de Oudheid hechtte men meer belang aan het gezag dan aan de daadwerkelijke schrijver, en dat gezag werd geleverd door de opdrachtgever. We zien bij Cicero, maar ook bij ongeletterden dat zij hun brieven door anderen lieten schrijven. We zien dat Paulus zijn brieven afsloot met naschriften in zijn eigen hand. Zowel Markus als Petrus werden beschouwd als auteur van het evangelie van Markus. Bovendien blijkt uit taalkundige overeenkomsten dat Markus ook 1 Petrus geschreven heeft. Misschien heeft de secretarishypothese toch aanzienlijk betere papieren dan Bart Ehrman doet voorkomen.

6. Noten en referenties

1. Bart Ehrman, Forgery and Counterforgery: The Use of Literary Deceit in Early Christian Polemics, Oxford University Press, 2013. Terug naar tekst.
2. Romeinen, 1 en 2 Korinthe, Galaten, Filipenzen, 1 Thessalonicenzen en Filemon. Terug naar tekst.
3. Ref 1, p. 218-222. Terug naar tekst.
4. Karel van der Toorn, Wie schreef de Bijbel? De ontstaansgeschiedenis van het Oude Testament, Kampen, Ten Have, 2009, p. 45. Terug naar tekst.
5. Ref 4, p. 45. Terug naar tekst.
6. Cicero, Epistulae ad Atticum, 11.2 (online beschikbaar). Zie ook 11.5. Terug naar tekst.
7. Eusebius, Kerkgeschiedenis, 3.39.15. Vertaling van dr. Chr. Fahner. Terug naar tekst.
8. Justinus Martyr, Dialogue with Trypho, hoofdstuk 106 (online beschikbaar). De vertaling geeft onterecht ‘him’ met een hoofdletter, alsof het op Christus zou wijzen. Volgens dr. Ehrman en andere geleerden wijst het echter op Petrus. Daar zijn goede redenen voor. Allereerst noemt Justinus de evangeliën altijd de ‘memoires van de apostelen’. Het is dan logisch dat ‘memoirs of him’ ook naar een apostel wijst. Ten tweede betekent ‘memoires’ zoiets als ‘herinneringen’. De evangeliën zijn niet de herinneringen van Jezus maar van de apostelen. Terug naar tekst.
9. Moon, Jongyoon, Mark as contributive amanuensis of 1 Peter? An inquiry into Mark’s involvement in light of first-century letter writing, Diss. Department of New Testament Studies in the Faculty of Theology, University of Pretoria, 2008. Terug naar tekst.
10. Ref 10. Terug naar tekst.